![]()
U-raadsvoorzitter Frits Lagendijk. Foto: Gijs van OuwerkerkHeeft dit onderzoek je verrast?
‘We wisten wel ongeveer hoe het zat. Het grootste deel van de oordelen over medezeggenschap – ik noem ze vooroordelen – kende ik al.’
Zijn de uitkomsten confronterend?
‘Nee. Als ik er nou van overtuigd was dat we fantastisch op de kaart staan. Maar dat was ik niet.’
Is het dan wel een nuttig onderzoek geweest?
‘We hebben dit gedaan om medezeggenschap beter op de kaart te zetten. Met dit rapport kun je met elkaar praten, je krijgt discussie. En je kunt er mee naar de bestuurders stappen. Herkennen we dit? Wat kunnen we er mee doen? Dat lukt je beter met een rapport dan met ‘ik heb het gevoel dat…’. Nu staat een aantal conclusies zwart op wit. Wat betreft onze onbekendheid: kennelijk is de UR-nieuwsbrief niet voldoende, kennelijk staan de overige raden te weinig in the picture. Dat is belangrijke input voor evaluatie.’
Hoe krijg je medezeggenschap dichter bij studenten en medewerkers?
‘Ik ben voorstander van een digitaal medezeggenschapsloket dat informatieverschaffend is voor alle raden. Er bestaat een medezeggenschapswebsite, maar die is slecht vindbaar en de informatie is verouderd. Er moet een lokettist komen die misschien niet alle antwoorden kent, maar die wel kan doorverwijzen en de site actueel houdt.’
Uit de interviews bleek ook dat veel (oud-)leden van een medezeggenschapsorgaan vinden dat ze weinig invloed kunnen uitoefenen. Herken je dit beeld?
‘Ik ken het oordeel, maar ik deel niet de conclusie. Ik heb altijd het gevoel gehad invloed te hebben. We hebben nota bene op belangrijke punten instemmingsrecht.’
Toen vrijdag het rapport werd gepresenteerd, ontstond discussie over hoe belangrijk het bestuur medezeggenschap vindt. Wat denk je?
‘Dat is inderdaad een goede ingang voor discussie. Het hangt heel erg van de persoon af. De ene bestuurder benut de raad, de ander ziet het als een hobbel die genomen moet worden. Daarom is het nuttig dit rapport te bespreken met bestuurders. Een van de suggesties die vrijdag werd gedaan is om medezeggenschap mee te nemen in de jaargesprekkenvan de eenheden en functioneringsgesprekken van de individuele medewerker. Hoe ga ik ermee om, hoe faciliteer ik het? Daarnaast moeten we het hebben over het functioneren van de raden. Veel raadsleden kennen hun rechten, plichten en verantwoordelijkheden niet. Als je die als raadslid al niet kent, laat staan dat de achterban het weet. Voor studenten is het bovendien jammer dat ze maar een jaar in de Raad zitten. Zijn ze net op stoom, moeten ze al weer weg. Maar met de huidige staatssecretaris zal twee jaar medezeggenschap lastig worden.’
Het rapport
Studenten Anne-Sophie Bronzwaer (TG) en Lieke van Gorp (IO) onderzochten voor de Wetenschapswinkel en in opdracht van de Universiteitsraad en het College van Bestuur, hoe leden en oud-leden van U-raad, faculteits-, instituuts- en dienstraden denken over medezeggenschap. In totaal telt de UT achttien raden met zo’n 130 leden. Een van de uitkomsten was dat er weinig belangstelling is voor medezeggenschap. Daarnaast is er onduidelijkheid over de rechten en taken van raadsleden. Veel geïnterviewden denken dat ze weinig invloed kunnen uitoefenen op het beleid.
Onbekendheid met medezeggenschap en de gedachte dat het toch niets uithaalt, zijn belangrijke oorzaken van het gebrek aan belangstelling. Bronzwaer en Van Gorp bevelen aan dat duidelijker wordt wat de taken en verantwoordelijkheden zijn van de verschillende raden. Extra kennis draagt volgens hen bij aan de motivatie van zowel medewerkers als studenten voor deelname in een raad.
Zie ook: www.utwente.nl/medezeggenschapen www.utwente.nl/uraad.