Uit het onderzoek blijkt een groot verschil in de bereidheid van het bestuur om informatie te delen met medezeggenschapsorganen. Een deel van de geïnterviewden vindt de informatieverstrekking voldoende tot goed, anderen geven aan dat de bereidheid gering is en dat het afhankelijk is van de bestuurder en het onderwerp of en hoeveel informatie er verstrekt wordt.
Hoewel men het idee heeft dat het bestuur luistert naar de opmerkingen en adviezen, denken de geïnterviewden niet dat ze door deelname in de raad veel invloed kunnen uitoefenen. Sommigen vermoeden dat dit komt doordat de plannen van de bestuurders al voor het overgrote deel vaststaan en dat de raad daar weinig aan kan veranderen. De (oud-)leden van de faculteitsraden en instituutsraden hebben het gevoel minder serieus te worden genomen dan geïnterviewden die actief zijn (geweest) in de U-raad.
Het onderzoek van de Wetenschapswinkel naar medezeggenschap op de UT werd uitgevoerd door studenten Anne-Sophie Bronzwaer (TG) en Lieke van Gorp (IO) in opdracht van het college van bestuur en de universiteitsraad. Bronzwaer en Van Gorp bevelen aan dat er meer helderheid komt over de taken, verantwoordelijkheden en rechten van raadsleden. Duidelijk moet worden welke raad waarvoor verantwoordelijk is en hoe samenwerking mogelijk is.
De onderzoekers verwachten dat extra kennis bijdraagt aan de motivatie van medewerkers en studenten voor deelname in de raad. Een gebrek aan kennis van wat de raden doen wordt gezien als de voornaamste reden voor de beperkte belangstelling voor medezeggenschap.