Het succes van enkele onderzoeksinstituten diende binnen de UT ook bestuurlijk te worden verankerd door al het onderzoek onder te brengen in onderzoeksinstituten met een eigen begroting en bijbehorend beleid. Na deze kanteling zit de wetenschappelijke staf gevangen in een matrixorganisatie. Via wijziging van het financieel verdeelmodel en van de bevoegdheden van de wetenschappelijk directeuren (WD’en) diende focus en massa te worden aangebracht.
Door dit beleid is de bekostiging van en de verantwoordelijkheid voor het onderzoek en onderwijs gescheiden, ook al zouden ze volgens het college gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het personeels- en wetenschapsbeleid hebben. Vanuit de medezeggenschap is meerdere malen gewezen op de onmogelijkheid dat bestuurlijke mannetjesputters in de regel tot een goed afgestemd beleid komen. Ga maar na: drie tot vier wetenschappelijke directeuren met hun eigen focus en belangen op het gebied van onderzoek versus een decaan die eindverantwoordelijk is voor personeel en onderwijs.
Met lede ogen heb ik de nadelige effecten van dit topzware bestuurlijke model aangezien en de medezeggenschap op een groot deel van het beleid (onderzoek en financiën) zien uitkleden. Uiteraard heb ik daarop herhaaldelijk gewezen. Maar het college komt niet verder dan de opmerking dat daar nu eenmaal voor gekozen is met volle instemming van decanen, WD’en en Raad van Toezicht en dat onvolkomenheden in dat model wel recht gebreid worden. In deze tijd van dreigende kortingen op het overheidsbudget komen de nadelige effecten explicieter aan de oppervlakte. Ik zal dat toelichten aan de hand van de wiskunde aan de UT, omdat die situatie mij goed bekend is en me het meest aan het hart gaat, maar het geldt zeker ook voor een aantal andere disciplines.
In tien jaar tijd is de wiskunde van een eigen faculteit met een eigen beleid ten aanzien van onderwijs en onderzoek omgeturnd tot een afdeling binnen EWI: het onderzoek is opgedeeld in meerdere onderzoeksinstituten. Door de splitsing van onderwijs- en onderzoeksmiddelen waren forse bezuinigingen op het onderwijs noodzakelijk. Deze gingen ten koste van de kwaliteit van de eigen opleiding en leidden tot extensivering (dus gewoon minder begeleiding) van het toegeleverde wiskundeonderwijs. Inmiddels is ingezien dat dit de verkeerde weg is, maar reparatie is alleen mogelijk als we met minder wiskundedocenten meer doen. Vervolgens is echter de OO-component (de onderzoeksmiddelen die gekoppeld zijn aan de hoeveelheid onderwijs) in twee jaar gehalveerd.
De vermindering van de indertijd bewust gekozen sterke koppeling tussen onderwijs en onderzoek is mijns inziens door de WD’en afgedwongen ter compensatie van de Plasterk-korting. Dit kostte de wiskundegroepen een slordige miljoen euro, waarvan geen enkele euro in de vorm van strategische onderzoekbudgetten is teruggekomen. Erger nog, voor de matching van projecten wordt door de WD’en met verschillende maten gemeten. Focus en massa betekenen blijkbaar dat de wiskunde, die vanuit haar aard breed toepasbaar, ondersteunend en toeleverend is, buiten de core business (of lekkerbekkende thema’s als sustainability en health) van de instituten valt. De kortingen worden zonder overleg met de betrokken groepen opgelegd (Misschien na wat onverkwikkelijk overleg met de decaan; we weten het niet, want niets van dit soort essentiële besluitvorming is openbaar). Maar hoe moet een groep met een vaste staf van 6 ton een korting van 1.5 ton opvangen? Ook het effect van de verwachte bezuinigingen lijkt zich al af te tekenen: de herbezetting van voor onderwijs essentiële leerstoelen wordt nu reeds financieel door de ene WD geblokkeerd en door de andere worden juist wiskundigen aangesteld, al dan niet binnen de wiskunde-afdeling (vriendjespolitiek of thematisch ad hoc beleid). De verantwoordelijke bestuurders die over de verdeling van de poen gaan ontberen de kennis of de interesse om verstandige beslissingen over de ontwikkeling van de wiskunde te nemen.
Een goed en evenwichtig beleid ten aanzien van disciplines (niet alleen voor de wiskunde) is voor de lange termijn van levensbelang voor de UT en het multidisciplinaire onderzoek. Het maatschappelijk belang van de UT is gelegen in een brede en kwalitatief hoge bijdrage aan de kenniseconomie van Nederland, en niet (alleen) in een beperkt aantal toponderzoekinstituten. Dat betekent overigens niet dat er geen (pijnlijke) keuzes gemaakt moeten worden als de verwachte bezuinigingen waarheid worden. En het betekent ook niet dat (alle) instituten dienen te worden opgeheven. Maar het zittende management heeft te zeer een bestuurlijke speeltuin gecreëerd die onvoldoende democratisch is en waarin ik het vertrouwen verloren heb.
De begroting 2011 faciliteert hun ondoorzichtige machinaties en de beschreven nadelige effecten.
Daarom stem ik tegen.
Dick Meijer
TW’er en lid van de universiteitsraad
Naschrift redactie:
De universiteitsraad boog zich vorige week over de UT-begroting voor 2011. Een raadsmeerderheid stemde in met de begroting.