Afscheid van een strateeg

| Redactie

Acht jaar lang was hij secretaris van het CvB en van de UT, daarvóór had hij als alumnus bestuurskunde allerlei beleids- en bestuursfuncties, steeds in de directe nabijheid van het college van bestuur. Vorig jaar stopte Pieter Binsbergen (48) als secretaris. ‘De scherpte was er af, het was klaar, ik wilde weg.’ Dat lukte niet. De campus werd vervolgens een jaar zijn nieuwe werkterrein, maar als manager kon hij daar zijn draai niet echt vinden. Donderdag 13 januari neemt hij met een receptie na bijna dertig jaar afscheid van de UT.

Over je vertrek naar de (toekomstige eenheid) campus is destijds driftig gespeculeerd. Het zou een parkeerbaan zijn. Hoe zit het precies?

‘Het was inderdaad een nieuwe functie, maar die was er anders ook gekomen. Nee, ik had al veel eerder meerdere malen aangegeven dat ik weg wilde. Zelfs nog voor ik secretaris van het CvB werd. Ik had mijn opvolging al geregeld, maar te weinig aan mezelf gedacht. Maar zoals steeds in mijn loopbaan hier, werd ik door het CvB steeds gevraagd voor een baan met net weer andere accenten. Men wilde mij kennelijk nog niet kwijt. Ik denk vanwege mijn vermogen om deze universiteit te lezen en het college van advies te dienen in strategische keuzes. Ik werd uiteindelijk de baas der bazen, een baan die ik diep in mijn hart niet eens ambieerde, maar toch aanvaardde. Want de UT, dat was mijn domein, daar hield ik van en dan is het lastig om daar van los te komen.’

Als campusmanager zat hij het afgelopen jaar niet bepaald lekker in zijn vel. ‘Ik verschilde met het CvB van mening over de aanpak van bepaalde zaken en dan wordt het lastig. Ik was jarenlang hun eerste adviseur geweest en dan sta je opeens recht tegenover elkaar. Dat is onthullend en vreemd tegelijk. Ik dacht: zo kan het dus lopen, zo snel kan het gaan. Er ontstonden fricties en dan kan je maar beter opstappen. Achteraf was die laatste baan niet zo’n handige keus.’

En nu?

‘Ik ga eerst alles op een rij zetten en kijk om me heen. Wellicht zijn er adviesklussen in het hoger onderwijs waar ik mijn kennis op kan inzetten. Ik hoef niet zo nodig ergens voorzitter te worden, dat ligt niet zo zeer in mijn aard. Maar een bestuursfunctie van bijvoorbeeld een grote scholengemeenschap, ja dat lijkt me wel wat. Daarbij, ik hecht zeer aan deze regio, dat maakt de banenspoeling wat dunner, maar dat is niet anders. Ik heb hoe dan ook besloten om weer voetbaltrainer te worden, als hobby. Dat werk heb ik jarenlang niet kunnen doen vanwege mijn baan. Een betaalde functie in de voetballerij is denk ik mijn grootste ambitie.’

Hoe voelde het toen je uit de Vleugel vertrok?

‘Wil je dat echt weten? Ik voelde me opgelucht, vrij, zonder die strakke setting. Die knelt zonder dat je het in de gaten hebt. Je bent dag in dag uit gefocust op beleidszaken, je vertaalt beleid naar ‘Den Haag’ en hebt alleen daar oog voor. Wat me aan het hart ging was om afscheid te moeten nemen van de dames van de vleugel.’

Een strak keurslijf in een ivoren toren?

‘Je moet het niet verkeerd opvatten, ik heb er jaren met veel plezier gewerkt. Maar je moet het zo zien: we prijzen ons hier gelukkig met de korte, bestuurlijke lijnen vanwege de compactheid van de campus. We zijn als universiteit voor de buitenwacht gastvrij, open en vriendelijk. Maar toch blijkt men er in de faculteiten een hele andere belevingswereld op na te houden dan die in de bestuursvleugel. Dat besef je pas als je er niet meer werkt. Je hebt, als je opereert vanuit de Vleugel invloed, zeker: je doen en laten heeft impact. Maar je moet er wel voor zorgen dat je bij de werkelijkheid blijft en dat is lastig.’

Pieter groeide op in Spijkenisse en ’t Gooi en koos in 1981 voor bestuurskunde in Twente. ‘Enschede was de enige universiteit met die opleiding, het was een bewuste keus. Bovendien was ik door de kamergarantie zeker van een dak boven mijn hoofd.’ Vijf jaar lang woonde hij aan de Witbreuksweg 377 laag, ‘een hele bijzondere, zeer sociale flat met dertien bewoners’. Tijdens zijn studie, die hij in 1988 afrondde met een negen, was hij student-assistent, leerde er een andere UT-icoon Leo Goedegebuure kennen en was er getuige van hoe de latere rector magnificus Frans van Vught en diens collega Peter Maassen de oprichting realiseerden van het instituut dat tegenwoordig CHEPSheet en toen CSHOB, gespecialiseerd in onderzoek van het hoger onderwijs. ‘Een kleine, fantastische club van gedreven mensen, die snel groeide. Je zou kunnen zeggen dat Frans vanaf dat moment steeds de hand heeft gehad in mijn loopbaan binnen de UT. Ik werd overal voor gevraagd, hoefde nergens naar te solliciteren.’

Omdat Binsbergen na zijn afstuderen wel geïnteresseerd was in hoger onderwijs problematiek, maar niet als onderzoeker, besloot hij eind jaren tachtig zijn geluk te beproeven in Amerika. Misschien was er in het land van de onbegrensde mogelijkheden wel een plek te vinden waar hij een baan kon combineren met het trainerschap van een universitair voetbalelftal.’ In zijn studietijd was hij namelijk een verdienstelijk keeper/ aanvoerder van het eerste zaalteam van v.v. Drienerlo en daarnaast bestuurslid en trainer. ‘Ik studeerde er ook nog bij. Vandaar dat ik in 1988 de Stheemanbokaal kreeg uitgereikt.’

Afijn, de missie in Amerika slaagde niet. ‘Het voetbal stond er nog in de kinderschoenen en ik was veel te ambitieus.’

Terug in Nederland, we schrijven inmiddels 1990, stuurde hij zeven sollicitatiebrieven naar zeven grote gemeenten in Twente. Dat was de eerste en tevens laatste keer dat hij solliciteerde, daarna kwamen de banen als bijna vanzelf voorbij.

Die nijvere schrijfexplosie leverde hem meteen een baan op in Hellendoorn, als beleidsmedewerker sport en cultuur. ‘Een hele leuke club, maar ik had al snel het gevoel dat ik tegen mijn grenzen zou aanlopen.’

Op dat moment verscheen Frans van Vught weer aan het firmament. Dit keer met het, zoals Pieter het noemt ‘verleidelijke aanbod’ om hem te assisteren bij het runnen van het bloeiende CHEPS-instituut, dat inmiddels was doorgedrongen tot de wereldtop. ’Dat heb ik vijf jaar gedaan.’

Tijdens het rectoraat van Frans van Vught (1997-2004) had Binsbergen allerlei interne functies, dicht tegen het CvB aan. Eerst was hij medewerker van het toenmalige beleidsbureau, dat voor die tijd al diverse naamgevingen had ondergaan. Van ‘bureau van de universiteit’ tot ‘stafbureau’ en allerlei mengvormen daartussen.

‘Later werd ik assistent-directeur beleidsbureau en na het vertrek van Michiel van Buchem, directeur. Zonder dat ik veel ervaring had als eerste man.’

Binsbergen herinnert zich uit die tijd (1997) de werkreis van zijn beleidsbureau naar Leuven, samen met de redactie van dit blad. ‘Ik had allerlei zeer talentvolle mensen in mijn groep, die later uitstekend terecht zijn gekomen buiten de UT. Daar was ik trots op: ze kwamen bij mij vandaan, ik voelde me een soort coach. Dat gevoel heb ik eigenlijk mijn hele werkzame UT-tijd gehad.’

Het aangename en nuttige aspect van de trip naar Leuven (UT-Nieuws maakte een reportage van deze illustere universiteit, red.) was een versterking van het onderlinge UT-gevoel. We leerden elkaar beter kennen, kregen waardering voor elkaars werk en legden bovendien nuttige contacten. We hebben dit soort trips vorig jaar nog een keer herhaald met een geslaagd tweedaags bezoek aan Maastricht- met alle eenheden die onder de eenheid Secretaris vielen. Maar het ziet er naar uit dat het daarbij voorlopig zal blijven. Er wordt geen geld meer voor beschikbaar gesteld. Jammer, want de meerwaarde van dit soort loyaliteitsreizen staat voor mij vast.’

Hoe kijk je, vlak voor je vertrek, aan tegen de UT?

Binsbergen is op z’n sterkst als hij een referaat houdt over historie, groei en toekomst van de UT. Zolang het gaat over ‘content’ is-ie lastig van de bal te krijgen. Dan start hij de denkbeeldige film ergens middenin met het veelbesproken strategisch overleg van het toen nog vijfkoppige CvB in het Zwitserse Davos (het land waar hij vaak – al of niet in de sneeuw- met zijn gezin vakantie houdt). ‘Hartslag’ heette destijds de uitgezette koers en die bleek voor de UT veel te hoog gegrepen. De weerstand binnen de universiteit was groot, de plannen verdwenen in de ijskast. ’Veel van wat we destijds verkondigden zie je nu terug in de aangescherpte koers van de UT.’

Met minder faculteiten en instituten.

‘Ja, dat klopt. Je moet inzetten op je allersterkste punten. Met de instituten MIRA en MESA+ als de smaakmakers. Daar scoor je mee op wereldniveau. De kunst is om die twee, qua domeinen, dicht bij elkaar te houden. Dan beperk je het risico. Ik ben ook een groot voorstander van transfers. Haal continu topwetenschappers naar Twente, week ze ergens ter wereld los. In nationaal verband deed de TU/e dat laatst ook met de groep van Kuipers. Twente moet dat ook willen. Dan ga je de top halen. Kijk naar FC Twente. Er spelen nauwelijks Tukkers in het eerste, maar dat boeit niemand. De verbondenheid van de club met de regio is groter dan ooit. Dat is knap gedaan. De UT kan er een voorbeeld aan nemen.’

Binsbergen noemt de UT een ruwe diamant die voortvarend bijgeslepen moet worden. ‘Dat vergt leiderschap, maar ook eigenzinnigheid en ondernemendheid. De campus is een voor Nederlandse maatstaven unieke locatie die veel beter verkocht kan worden. Een plek waar je woont, werkt en studeert. Klein maar fijn, met uiteindelijk maar één faculteit in plaats van tien, vijf of drie. Het lastige punt is dat deze bizondere technische universiteit steeds zijn bestaansrecht lijkt te moeten bevechten. Ik denk dat we moeten stoppen met al die discussies over imago en branding. Laat de buitenwacht maar over ons oordelen, daar hebben we veel meer aan.’

Bert Groenman

Het afscheid van Pieter Binsbergen is donderdag 13 januari, om 16.30 uur in de Faculty Club.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.