Lespakket over cyberpesten

| Redactie

Wetenschappelijke publicaties beweren tot nu toe dat één op de vijf scholieren wel eens gepest wordt via het world wide web. Volgens oud-student Niels Baas ligt dat aantal veel hoger. Misschien is het wel één op de twee. Voor zijn communicatiestudie deed hij bij vier basisscholen onderzoek naar cyberpesten en interviewde daarvoor 28 leerlingen. Zijn methode werd opgemerkt door het expertisecentrum Pestweb.nl. Samen met deze organisatie ontwikkelt Baas nu een lespakket om online pesten bespreekbaar te maken in de klas.

`Ik ben niet echt gekleed voor de foto', zegt Niels Baas (24) in het Theatercafé van de Vrijhof als hij de fotograaf ziet. Snel trekt hij zijn blauwe sweater met in het wit de tekst Italia erop recht. De pasafgestudeerde bekent helemaal weg te zijn van Italië. `Fantastisch', glimlacht hij. `Niet vanwege het voetbal ofzo, ik vind het gewoon een geweldig land. Ik spreek geen woord Italiaans, maar elk jaar probeer ik er naartoe te gaan.'

Met hetzelfde enthousiasme praat Baas over zijn in juli afgeronde onderzoek naar cyberpesten onder scholieren. `De term cyberpesten zegt die groep niks. Het is een begrip zonder inhoud. De leerlingen spreken eerder van pesten via internet of online pesten.' Baas, momenteel onderzoeker en docent bij de faculteit GW, definieert het begrip als een herhaalde gemene actie van een individu of van een groep, waarbij sprake is van een machtsverhouding.

`Dat kan ontstaan doordat iemand bijvoorbeeld de ict beter beheerst en makkelijker anoniem een e-mail kan versturen of een account kan hacken', aldus Baas. Een - mede - door hem ontwikkeld lespakket moet cyberpesten bespreekbaar maken in de klas. Het programma is gebaseerd op zijn afstudeeronderzoek en uitgebreid met een lesbrief voor de leraar. `Ik werk hiervoor samen met Pestweb.nl. Die stichting geeft advies en tips aan kinderen en ouders over hoe ze kunnen omgaan met pesters op het internet.'

Voor zijn masteronderzoek volgde Baas zes weken lang 28 scholieren van vier verschillende basisscholen in Enschede. `Op een paar na wilde iedereen wel meedoen.' Samen met de leraar maakte hij een selectie van zeven leerlingen per klas. Elke week praatte hij een uurtje met ze. In groepsverband. `Ik wilde vooral een discussie op gang brengen om een overkoepelend idee te krijgen van hoe zij denken over cyberpesten. Individuele ervaringen wilde ik zoveel mogelijk buiten beschouwing laten. Het ging me vooral om hun mening en de bijbehorende argumentatie.' Daarvoor had Baas voor elke les een programma in elkaar gedraaid. `Tijdens de eerste bijeenkomst legde ik nog een keer goed uit wat de bedoeling was. De kinderen moesten zich er namelijk wel prettig bij voelen om mee te doen.'

Een gesprek van een volwassene met een kind van elf of twaalf is anders dan gesprekken tussen leeftijdsgenootjes, weet Baas. Om toch op hetzelfde niveau te kunnen praten, had hij een gesprek met Martine Delfos, een kinderpsycholoog. Ook las hij haar boek `Luister je wel naar mij?' en voerde meerdere gesprekken met Bamber Delver, directeur van de stichting De Kinderconsument. `En ik overlegde natuurlijk met de docenten. Zij zijn de experts.'

Baas stelde ook een protocol op dat hij ter goedkeuring aan de onderwijzers voorlegde. `Je bent met ethiek bezig. Met een gevoelig onderwerp. Ik wil me als onderzoeker goed indekken. Ik zit niet te wachten op ouders die bij me komen omdat hun kind overstuur is.'

De deelnemers kregen elke week huiswerk mee. Dat diende als input voor de eerstvolgende bijeenkomst. `Het was een soort dagboek waarin zij bijhielden wat ze zelf tegenkwamen op het internet. Ze waren net cyberdetectives', lacht hij. `Ook spoorde ik ze aan met zoveel mogelijk mensen over dit onderwerp te praten en hun bevindingen op te schrijven.'

Een van de opdrachten was het beschrijven van de dader. `De dader rookt, werd vaak genoemd. Opmerkelijk. Het is vast een projectie op volwassenheid.' Een andere opdracht was het noemen van instanties en personen die kunnen helpen om cyberpesten te voorkomen. `Of heel simpel het opschrijven van woorden die in je opkomen als je aan online pesten denkt.'

Uit het onderzoek kwam naar voren dat vooral veel interactie met de kinderen over alle facetten van de online wereld van belang is om te kunnen achterhalen hoe ze over online pesten denken. `Veel kinderen zijn bang dat internet van hen wordt afgepakt als ze vertellen dat ze worden gepest. Daardoor en deels uit schaamte zeggen ze niks, terwijl het heel belangrijk is dat jongeren met volwassenen praten. Daarom is het lesprogramma zo waardevol. Een veelgehoorde reactie van docenten is: Waarom heb ik daar zelf niet aan gedacht?'

Niels Baas: `Veel kinderen zijn bang dat internet van hen wordt afgepakt als ze vertellen dat ze worden gepest.' (Foto: Arjan Reef)

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.