| Ruud Schuthof: ‘Mijn belangstelling voor duurzaamheid zat er al vroeg in, vanuit het idee: je leeft maar één keer, dus doe het dan ook goed.’ |
De trams rijden er op groene stroom, het stadiondak van FC Freiburg ligt vol met zonnepanelen en de plaatselijke DJ presenteert een avondje Green City Beats. Freiburg, hoofdstad van het Zuid-Duitse Zwarte Woud, is groen, en de inwoners zijn er trots op.
Wat eind jaren zeventig begon met protesten van studenten en alternatievelingen tegen kernenergie leidde in 1986 (na de kernramp in Tsjernobyl) tot het gemeentelijk besluit om kernenergie af te zweren en zwaar in te zetten op zonne-energie. Na bijna 25 jaar gefocust beleid, waarin de stad kennisinstellingen en bedrijfsleven meezoog, is duurzaamheid booming business. Niet toevallig zetelt het Europees kantoor van Iclei sinds 1992, hetzelfde jaar waarin de stad tot ‘Milieuhoofdstad van Duitsland’ werd gekozen, in Freiburg.
Bij de koffie in het Iclei-kantoor wordt echte Schwarzwalder Bio-Milch geserveerd.
Bewust? ‘Dat zou best kunnen’, lacht Ruud Schuthof. ‘We hebben als kantoororganisatie wel een EU-milieukeurmerk. Dat past ook wel bij ons werk.’
Iclei (‘Local Governments for Sustainability’) helpt lokale overheden bij het ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van beleid voor duurzame stedelijke ontwikkeling, luidt de zakelijke omschrijving. De meer idealistische: tweederde van de wereldbevolking woont in de stad. Zonder duurzaam gebruik van middelen en materialen overleven we dat niet met z’n allen.
Schuthof geeft de voorkeur aan de zakelijker definitie: ‘Natuurlijk poberen we een ‘hoger doel’ te bereiken: een duurzame samenleving. Maar dat lukt niet met idealisme alleen. Uiteindelijk gaat het toch om: wat wil je, wat kost het, wat levert het op? Lokale overheden zijn een kleine maar belangrijke schakel in de weg daarnaartoe, en die ondersteunen wij. Bijvoorbeeld bij het indienen van projectaanvragen bij de EU, maar we vertegenwoordigen ook hun belangen bij de VN-commissies die over duurzaame ontwikkeling en milieu gaan. Vorig jaar moest ik in New York tijdens de grote jaarlijkse vergadering van die commissies het woord voeren. Spreektijd: maximaal 2 minuten.’
‘Of dat helpt? We kunnen ter plekke niet mee onderhandelen over het beleid, dat doen de ministers. We proberen wel het beleid te beïnvloeden, door erop te wijzen wat steden kunnen bijdragen aan het oplossen van de mondiale economische en milieuproblemen. En dat is best veel. Als dat besef doordringt, is het makkelijker om duurzaamheidsprojecten van steden gefinancierd te krijgen.’
Schuthof kwam in 2008 als beleidsmedewerker bij Iclei. Na zijn studie bestuurskunde in Twente (waarvan een semester in Wales) en een extra master Humanitarian Assistance in Groningen (met onderdelen in Zweden en Kenya) had hij vanaf 2002 eerst een aantal beleidsbanen in Nederland. Maar een internationale baan trok.
‘Dat werd dus Iclei. Ik ben hier net aan mijn tweede baan begonnen, na acht maanden ouderschapsverlof. Ja, dat is goed geregeld in Duitsland. Ik heb als director strategic services nu een afdeling van vijftien medewerkers - met zes nationaliteiten - die zich vooral bezighouden met beleidsontwikkeling en met de informatie en communicatie rond een groot aantal projecten: hoe bereikt een stad de juiste doelgroepen met haar project, hoe doen we de effectmeting, hoe zorgen we ervoor dat ook andere aangesloten steden de resultaten oppakken en toe kunnen passen. Ook doen we komend jaar de organisatie voor vier grote internationale conferenties in verschillende landen. Zelf houd ik me ook bezig met de organisatieontwikkeling - waar staan we met deze club over vijf jaar - en bemoei ik me met grote projecten.’
Schuthofs grootste klus is momenteel het Civitas-project: een consortium van 25 Europese landen dat samen 300 (pilot)maatregelen op het gebied van duurzaam stedelijk verkeer wil nemen. Van rekeningrijden in Zagreb tot een wittefietsenplan in Perugia en realtime reisadvies in Porto. ‘Daarnaast schrijf ik nu een onderzoeksvoorstel dat naar de EU moet en waarin de universiteit van Valencia een rol speelt. Er is een urban heat model gebouwd, dat verder getest en ontwikkeld moet worden. Dat model kan in de zomer vroegtijdig ‘oververhitting’ in delen van steden signaleren, zodat kwetsbare bevolkingsgroepen tijdig geëvacueerd kunnen worden.’
Schuthofs nieuwe functie betekent een accentverschuiving van inhoud naar management, maar hij zegt nog bijna dagelijks profijt te hebben van zijn Twentse bestuurskundebasis. ‘Vooral de vakken over beleidsprocessen, het gevoel voor bestuurlijke verhoudingen, inzicht in politieke structuren, checks and balances; dat soort dingen heb ik aan de UT heel goed geleerd en daar doe ik nog steeds mijn voordeel mee. Ik kijk voortdurend welke bestuurlijke belangen er spelen en kruip daarbij zo veel mogelijk in het hoofd van de partijen waarmee ik zaken doe. Waarom wil iemand iets niet of wel, wat is zijn belang? Dat spel begint met kennis, en je groeit erin door ervaring.’
Lunchtime. Schuthof baant zich in de Freiburger Altstadt behendig een weg door de kerstmarkt-in-aanbouw. ‘Nee, die is zeker niet alleen voor de toeristen. De bevolking hecht hier zeer aan lokale tradities, gebruiken en producten.’ Honderd meter verderop bewijst hij zijn gelijk op de dagmarkt rond de monumentale kathedraal. ‘Je hebt hier niet zoals op andere markten het hele jaar door dezelfde variëteit aan groente en fruit. Men vindt hier de producten van het seizoen uit de eigen streek het belangrijkst,’ zegt Schuthof, en wijst naar de rijke collectie eetbare pompoensoorten die zich kraam na kraam opstapelen.
| Freiburg profileert zich al dertig jaar als ‘Geen City’. Alle sectoren zijn doordrenkt van duurzaamheidsdenken. Het openbaar vervoer gebruikt uitsluitend duurzame energiebronnen. |
In het post-traditionele eetcafé Die Mehlwaage, aan een van de vele snelstromende watertjes die de stad doorklieven, bekent Schuthof boven een kakelverse pompoencrèmesoep dat hij het in Freiburg prima naar zijn zin heeft. ‘Ik weet dat ik me gelukkig mag prijzen hier te kunnen wonen en werken. De omgeving is geweldig: in de omliggende bergen ga ik ’s zomers wielrennen en ’s winters skiën, steden als Straatsburg en Basel liggen vlakbij. Ik kan me nog genoeg ontwikkelen in m’n baan, ik heb twee jonge kinderen en mijn Duitse vrouw geeft hier les op een gymnasium. Voorlopig zit ik hier dus nog wel even. Maar ik sluit zeker niet uit dat ik ooit terugkom naar Nederland. Als Nederlander-in-het-buitenland loop je natuurlijk ook wel af en toe tegen bepaalde dingen aan. Wij Nederlanders zijn bijvoorbeeld heel oplossingsgericht. Andere nationaliteiten, vooral Duitsers, denken meer in termen van problemen, hiërarchie en ‘regels zijn regels’. Dat moet je dan zien te doorbreken, om toch iets te bereiken. En dat collega’s die al veertig jaar samenwerken elkaar nog steeds niet bij hun voornaam durven te noemen, daar zal ik nooit aan wennen.’
Terugkijkend op zijn UT-tijd zegt Schuthof: ‘Ik heb daar een fantastische tijd gehad. Toen ik ging studeren heb ik bewust voor de UT gekozen. De studievoorlichting was uitstekend, en de groene campus sprak me wel aan. Ik kom uit Nunspeet. Daar zat ik op de middelbare school al in de milieucommissie. Vanuit het idee: je leeft maar één keer, dus doe het dan ook goed. Tja, de belangstelling voor duurzaamheid zat er dus blijkbaar toen al in.’
Dus toch een idealist? ‘Misschien wel, een beetje. Maar ook een idealist komt nergens zonder zakelijkheid.’
Koekoeksklokken
Op de wereldtentoonstelling in Shanghai presenteerde Freiburg zich als duurzame stad onder andere met een collectie van acht Schwarzwalder koekoeksklokken, die elk uur een choreografie uitvoeren op Chinese en Europese melodietjes, aangestuurd door speciaal ontwikkelde software. Studenten uit Shanghai en Freiburg zorgden voor de standbemanning en het onderhoud aan dit ‘CooCooChoir’, een succesvolle combinatie van regionale folklore en high tech. Deze ‘Hightech aus der Heimat’, meldt een plaatselijk blad, is inmiddels aangekocht door het Expo Museum in Shanghai.
‘Freiburg Green City’,
fraai staaltje marketing
De successtory van Freiburg Green City lijkt een staaltje city marketing volgens het boekje. Na het besluit midden jaren tachtig om zwaar in te zetten op duurzame energiebronnen, zijn alle sectoren van de regio doordrenkt geraakt van duurzaamheid. Van wijnbouw tot wetenschap, van volkshuisvesting tot openbaar vervoer en van bedrijvigheid tot toerisme.
Tienduizend werknemers (drie procent van de beroepsbevolking) verdient zijn brood in een van de 1.500 duurzaamheidsgerelateerde bedrijven en (onderzoeks)instellingen. De sector is goed voor een omzet van een half miljard euro. De ruim 550 jaar oude universiteit (21.000 studenten, 5.000 medewerkers) heeft duurzaamheid tot speerpunt gebombardeerd, beschikt onder meer over een interdisciplinair researchcentrum voor duurzame energie, biedt een internationale master Renewable Energy Management aan, onderhoudt nauwe banden met private en publieke onderzoeksinstituten in de regio, en bracht een groot aantal spin-offs voort.
Wat is de gouden formule voor dit succes?
‘Als ik die kende, was ik allang binnengelopen als consultant’ lacht Günter Burger, directeur internationale contacten van het gemeentelijk bureau Freiburg Green City. ‘Maar een belangrijke succesfactor is zeker dat de oorspronkelijke keus voor zonne-energie uit de bevolking zelf kwam. Andersom, het van bovenaf verkondigen van duurzaamheidsbeleid, zou niet hebben gewerkt.’
Dat een van de kennisinstituten, het Fraunhofer Institut, zich vervolgens ging focussen op Solare Energysysteme, was volgens Burger een andere cruciale factor in de ontwikkeling. ‘Maar wie daarna de belangrijkste aanjager is gebleven kan niet zeggen. Het is een continue golfbeweging tussen beleid van het gemeentebestuur, impulsen uit de kennisinstellingen en het bedrijfsleven en wensen vanuit de bevolking.’
Ook al kan Burger niemand het succesrecept meegeven voor het ontwikkelen van een – economisch lucratieve – duurzame regio, zijn stad wordt wel platgelopen door belangstellende collegabestuurders uit de hele wereld. ‘Die zijn hier van harte welkom. Maar we gaan ze niet vertellen dat ze het precies moeten doen zoals wij. Veel stadsbestuurders raken enthousiast over wat ze hier zien: de bedrijvigheid, onze ecologische wijken, het groene openbaar vervoer. Dat willen ze thuis ook toepassen, maar vervolgens hoor je daar niets meer over. Het enige wat werkt is: kijk wat past bij je lokale situatie en wat aansluit bij bestaande structuren. Dan lukt het. Zoals in Padua. Daar is het duurzaamheidsbeleid ook van onderaf begonnen, met een bezoek van ambachtslieden en ondernemers uit die regio aan ons. Die zagen allerlei voordelen, voor henzelf, en gingen ermee aan de slag. Pas in een later stadium is het door de politiek overgenomen.’
Maar ook Freiburg zelf is niet uitgeleerd, volgens Burger. ‘We gaan niet achterover leunen omdat we onder andere zijn uitgeroepen tot Bundeshauptstadt für Klimaschutz. We scoren wel hoog in alle categorieën, maar we zijn niet overal de beste in. Ook wij kunnen dus nog steeds van andere steden leren. En dat gaan we ook zeker doen.’