'UT moet inzetten op techniek'

| Redactie

Als de belletjes die Detlef Lohse onderzoekt heel klein zijn, hoort de hoogleraar vloeistoffysica bij MESA+. Zijn ze iets groter dan is hij IMPACT-wetenschapper en als er een cel naast zo'n belletje zit valt hij onder MIRA. Die UT-structuur maakt het leven van de universiteitshoogleraar moeilijk, zegt hij. Het kost hem veel tijd en kracht. Over zijn vakgroep Physics of Fluids is hij vol lof. `Zonder hen had ik die ERC Grant niet gekregen.'

Taart ter ere van de ERC Grant. Foto: Àrjan Reef
Taart ter ere van de ERC Grant. Foto: Àrjan Reef


Allereerst gefeliciteerd. U hebt een groot geldbedrag, ruim 2 miljoen euro, weten binnen te slepen.
`Ik ben natuurlijk erg blij met deze honorering. Het is een leuke onderscheiding voor de hele Physics of Fluids vakgroep.'

In 2005 werd u voor vijf jaar tot universiteitshoogleraar benoemd. Welke voorrechten heeft u dat opgeleverd?
`Formeel hoef ik als universiteitshoogleraar geen onderwijs te geven, maar dat doe ik graag. Het is belangrijk om de studenten te leren kennen. Straks heb ik nog een college over turbulentie voor masterstudenten. Daar verheug ik me op.

`Met de extra financiële ruimte die deze status geeft hebben we een Taylor-Couette systeem gebouwd, waarin wij hele sterke turbulentie in een gesloten systeem kunnen bestuderen. De eerste resultaten verschijnen volgende week in Physical Review Letters. Het universiteitshoogleraarschap, dat inmiddels voor onbeperkte tijd verlengd is, geeft ons dus iets meer financiële ruimte en meer zichtbaarheid en is teken van waardering voor ons werk vanuit het CvB'.

Een van de voorrechten is toch ook dat u zich niet met bestuurlijke zaken hoeft bezig te houden?
`Was dat maar waar! Het is de laatste paar jaar meer dan ooit. Door de matrixstructuur van de UT heb ik formeel meerdere bazen. De administratieve overhead is enorm gegroeid. En als mijn bazen het niet met elkaar eens zijn is dat voor mij erg lastig opereren.'

Want, u valt formeel onder drie instituten.
`Een voorbeeld. Wij doen onderzoek naar belletjes. Als die belletjes heel klein zijn, hoort het bij MESA+. Als de belletjes plotseling iets groter blijken, valt het onder IMPACT. En als er een cel naast dat belletje zit, hoor ik bij MIRA. Terwijl het om hetzelfde soort onderzoek gaat, dezelfde vergelijkingen en publicaties in dezelfde tijdschriften. In deze structuur is het voor de individuele onderzoeker moeilijk werken als je aan meer instituten verbonden bent.'

Belemmert dat u in uw onderzoek?
`Het kost tijd. Dat gaat ten koste van onderzoek. Tot twee jaar geleden was het perfect geregeld en was er financiering naar prestatie, gebaseerd op inverdiencapaciteit. In mijn eerste tien jaar, vanaf 1998, heb ik nooit over geld hoeven praten en dat was fijn. Nu is de situatie helaas veranderd. De meerwaarde van de instituten is juist de inhoudelijke samenhang tussen de groepen en het stimuleren van samenwerkingsverbanden. Deze meerwaarde moet voorop staan, want daar hebben wij altijd veel profijt van gehad.'

Vreest u de bezuinigingen waar de UT voor staat?
`De UT moet naar mijn mening reorganiseren. Dat kan niet anders, gezien de politieke ontwikkelingen. Daarbij moet gekozen worden voor kwaliteit en niet voor de kaasschaaf. Als goede mensen niet voldoende middelen krijgen zullen ze opstappen. Dat wil je voorkomen. Het vertrek van uitstekende wetenschappers als Hans Kuipers met zijn hele groep was een ontzettend groot verlies, dat helaas ook breed is uitgemeten in de media. Reorganiseren is absoluut onontkoombaar. Er moeten keuzes gemaakt worden.'

Als er geen geld komt, zou u dan ook met uw vakgroep ergens anders aan de slag kunnen gaan?
`Ik ben niet van plan te vertrekken, ik wil hier gewoon doorgaan. We hebben een hele vakgroep opgebouwd met hele goede faciliteiten en mensen en we werken samen met uitstekende andere groepen. Maar om dat in stand te houden is geld natuurlijk noodzakelijk.'

Waar moet de UT voor kiezen?
'
Voor kwaliteit. Dat is de enige kans. De schaarse middelen moeten naar de primaire processen, onderzoek en onderwijs.'

Moet de UT zich weer profileren als technische universiteit?
`Vanzelfsprekend. Ik ben natuurkundige. Ik zie hoe de universiteit in Nederland en daarbuiten wordt waargenomen. We zijn een technische universiteit. We horen bij de 3TU. Wij moeten inzetten op natuurwetenschap en techniek.'

Ziet u een samenwerking met de faculteit GW zitten?
`Voor mijn vakgroep is samenwerking niet aan de orde.'

Niet alleen financieel gaat het niet goed, ook de instroom van studenten blijft achter. Wat moet daaraan gebeuren?
`Dat is zorgelijk. Samen met de vakgroepen van Harold Zandvliet en Matthias Wessling leiden we kinderen van groep zeven en acht hier rond en laten we ze experimenten doen. Op die leeftijd moet je ze enthousiast maken, dan zijn ze nog niet zo stoer en hebben ze belangstelling voor onderzoek. Wat verder uitgebreid moet worden is het leerlingenlab voor middelbare scholieren. We moeten meer contacten leggen met bètadocenten op middelbare scholen. Daar is ook geld voor uit het sectorplan natuur- en scheikunde. Alleen, wetenschappers moeten dat doen. Als een communicatiemedewerker zonder natuurkundeachtergrond een proefje doet, krijg je kinderen niet enthousiast. De middelen moeten dus naar de onderzoeker, niet naar communicatie.'

Hoe is de instroom in je eigen vakgroep?
`Wij hebben gemiddeld tien masterstudenten per jaar. Dat is prima. Het is voldoende. Voor de hele faculteit is een instroom van vijftig natuurkundestudenten per jaar te weinig. Het zou mooi zijn als technische natuurkunde tachtig eerstejaars trekt. Maar: liever vijftig studenten van hoge kwaliteit, dan tachtig van de middelmaat.'

Pleit u voor extra instroomeisen?
`Als studenten afvallen in het eerste jaar, is dat geen ramp. Je kunt niet verwachten dat alle kinderen van 17 of 18 jaar in één keer de goede studiekeuze maken. Maar na een jaar moeten ze dat wel weten. Afvallen na drie jaar is niet leuk, maar gebeurt bij ons in de faculteit gelukkig nauwelijks.'

Hoe is het gesteld met de kwaliteit van de studenten?
`Wij hebben echt goede studenten. Daarover ben ik heel enthousiast. Ik vind het geweldig met de jongelui te werken. Ondanks het feit dat de opleiding in het voortgezet onderwijs achteruit is gegaan krijgen wij veel talent binnen. Er zitten echt briljantjes tussen. Veel van die masterstudenten stromen ook door. Tachtig procent van de promovendi in onze vakgroep is Nederlands, vrijwel allemaal uit de eigen masteropleiding. Studenten en promovendi die bij ons afstuderen kunnen direct aan de slag in de wetenschap of het bedrijfsleven. Ze zijn gewild.'

Wat is het geheim van het succes van uw vakgroep?
`We focussen op onderzoek en we gaan voor kwaliteit.'

Dat doet elke hoogleraar. Waarmee onderscheidt u zich?
Lacht: `Dat moeten buitenstaanders maar zeggen.' Dan weer serieus: `Nee, er is geen geheim. We werken hard en waarderen de mensen en hun werk. De sfeer in de groep is heel goed. Iedereen, van de secretaresse tot de technici, levert een belangrijke bijdrage. Allemaal. Neem deze ERC Grant. Zonder hen had ik die echt niet gekregen.'

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.