Het is vooral interessant om deze conclusies te spiegelen aan de prestatie-indicatoren voor onderzoek zoals die binnen de UT zijn gedefinieerd. Nog steeds is het tellen van de wetenschappelijke output (promoties, artikelen) een belangrijke indicator. Maar met het artikel van Hilda Bastian in de hand zouden we het scoren van de (medisch) wetenschappelijke productie verder moeten nuanceren.
De op kennisproductie gedefinieerde KPI’s zijn misleidend als het gaat om de daadwerkelijke performance van universiteiten. Zeker in de medische wereld wordt een groot aantal op het eerste oog interessante, maar feitelijk nutteloze klinische studies gepubliceerd. Studies met een te kleine studiepopulatie, reviews waarin een ‘expert’ zijn mening gevraagd of ongevraagd geeft en alle soorten van ongecontroleerde studies bij gebrek aan beter.
Als universiteit bewijzen wij de praktijk pas echt een dienst door veel explicieter te sturen op de bijdrage van ons onderzoek aan een maatschappelijk belang. Voor een aantal KPI’s is dat goed te definiëren, zoals het aantal spin-offs dat uit de universiteit voortkomt of indirect het aantal patenten.
Maar misschien kunnen we nog meer doen als universiteit. Bijvoorbeeld door een negatieve score aan een KPI toe te kennen als een studie minder dan 50 patiënten heeft bestudeerd. Of door nog veel nadrukkelijker op kwaliteit te sturen. De kwaliteit van onderzoek heeft ongetwijfeld een relatie met het gebruik ervan. Immers, toptijdschriften als de Lancet en New England Journal of Medicine zullen er wel voor waken om slecht medisch onderzoek te publiceren en kennisconsumenten zullen het eerst te rade gaan bij die tijdschriften.
Dus niet het aantal, maar de kwaliteit en het gebruik van die kennis telt mee. Kortom, alle artikelen die buiten de top 20 procent van een vakgebied vallen, tellen negatief mee in de score. Dat zal ons nog scherper maken bij het kiezen waarin we onze schaarse tijd investeren.
| Maarten IJzerman vakgroep HTSR, faculteit MB opleidingsdirecteur gezondheidswetenschappen |