| (Foto: Gijs van Ouwerkerk) |
Natuurlijk, er valt in een instituut heel wat meer te managen dan in een vakgroep, maar Aarts staat nog steeds achter de strekking van zijn uitspraak. Lachend: `Nee, het gaat nu niet meer tussen de bedrijven door. Maar wat ik nog steeds van harte meen: alle managementtaken - of het nu die van mij zijn, of die van een decaan, vakgroepvoorzitter of hoogleraar - zijn slechts een middel. Het enige doel is goed onderzoek en goed onderwijs.'
Zijn baan is niet drastisch veranderd na zijn benoeming per 1 januari. Aarts (1959), hoogleraar politicologie bij de faculteit Management en Bestuur, was al een tijdje `eerste aanspreekpunt' voor het college van bestuur als het om IGS-zaken ging. Met het aantreden van Aarts, benoemd voor vijf jaar, komt er een einde aan een periode van onzekerheid rond de toekomst van het instituut.
`Wouter van Rossum vertrok in 2008 als laatste WD bij IGS. Daarna begon de onzekerheid, waarin onder meer sprake was van een fusie met het UT-instituut IBR (faculteit Gedragswetenschappen, red.). Jacques Thomassen is een tijdje waarnemer geweest. Kort daarna verdween het IBR/IGS-fusieplan van tafel, maar verder gebeurde er niets.' Totdat Aarts zich met zijn collega's Stefan Kuhlmann en Aard Groen in het voorjaar van 2009 bij het college meldde. `Zo kon het niet verder, vonden we. Wij wilden er wel aan trekken, en daar was het CvB wel blij mee.'
`Wat ik vervolgens met een paar mensen gedaan heb, is het aantal strategische onderzoeksoriëntaties terugbrengen naar vier grote programma's, gebaseerd op de sterke punten van het IGS: sturing van wetenschap, technologie en onderwijs; innovatie en ondernemerschap; innovatie van het openbaar bestuur, en water, duurzame energie en ruimtelijk beleid. In elk van die maatschappijwetenschappelijke disciplines kunnen we internationaal mee. Van daaruit gaan we bruggen slaan naar technologische onderwerpen. We willen namelijk niet zomaar een maatschappijwetenschappelijk onderzoeksinstituut zijn,'aldus Aarts. `Wij zien een prominente rol voor ons weggelegd in de versterking van het onderscheidende UT-profiel.'
De toenemende gerichtheid van de maatschappijwetenschappelijke disciplines op technologische onderwerpen was in 2008 een hot item in de discussie over het strategisch UT-beleid (Route'14) voor de komende jaren. Vooral in de faculteit MB hield dit de gemoederen bezig.
`Ik hoorde zelf ook bij de sceptici', erkent Aarts. `In eerste instantie kregen we de indruk dat het CvB vond dat we met de verkeerde dingen bezig waren. Inmiddels is het besef wel doorgedrongen in alle geledingen van het IGS dat we niet hoeven te stoppen met wat we doen, maar dat we moeten zoeken naar nieuwe mogelijkheden die bijdragen aan een duidelijk profiel. En die mogelijkheden zijn er genoeg, heb ik gemerkt.'
Zijn eigen discipline, politicologie, lijkt misschien ver af te staan van het UT-profiel erkent Aarts, maar ook in electoraal onderzoek zijn verbindingen te leggen met de rol van technologie. `Dat kan de rol van stemmachines bij verkiezingen zijn, maar ook de invloed van technologische ontwikkelingen en moderniseringsprocessen op het politieke landschap. Kort door de bocht, hoe verklaar je de opkomst van Wilders? Dat begint bij de grotere specialisatie op de wereldmarkt, die leidt tot andere economische structuren, een andere welvaartsverdeling, en tot nieuwe politieke tegenstellingen, waardoor mensen anders gaan denken over immigratie en er ruimte ontstaat voor partijen als de PVV.'
Voor de komende vijf jaar van zijn directeurschap ziet Aarts als hoofddoel het verder verhogen van de kwaliteit van het IGS-onderzoek en de internationalisering van het instituut. `Of dat gaat lukken, wil je natuurlijk ook kunnen meten. Daarom zijn we nu bezig vergelijkbare instituten in het buitenland te inventariseren. In de loop van dit jaar willen we ons, bij wijze van nulmeting, door een externe commissie laten spiegelen aan vergelijkbare instituten. Daarna hebben we dan nog vier jaar de tijd om onze internationale positie aan de hand van die vergelijking te versterken.'
Aarts verwacht zijn vijfjarige termijn vol te kunnen maken. Ondanks de aankondiging van het CvB om `op termijn' het aantal faculteiten en instituten op de UT weer tegen het licht te gaan houden. `Qua overhead valt er bij ons weinig te halen, met een secretaresse, een zakelijk directeur, en een WD. Een fusie is alleen zinvol als die een inhoudelijke meerwaarde heeft. Natuurlijk hebben we raakvlakken met het IBR, maar te weinig voor een fusie. Het is veel efficiënter om het profiel van IGS en onze onderzoeksgroepen scherp neer te zetten. Vergeleken bij de technische instituten binnen de UT zijn we dan misschien klein, maar met 280 onderzoekers zijn we in Nederland op ons vakgebied een gigant!'