De jonge Wijering begon zijn carrière in 1967 als schoonmaker op de campus, in dienst bij het toenmalige schoonmaakbedrijf Eijsink. Al snel kwam hij bij het Sportcentrum te werken waar hij als onderhoudsmonteur de velden kalkte, de netten ophing en het tennispark verzorgde. Eind jaren zeventig werd hij chef binnen- en buitendienst.
Hoe waren die jaren?
`Leuk, vooral door de omgang met zowel medewerkers als studenten. Met sportieve mensen is het altijd prettig werken. En in het Sportcentrum heerst onderling een fijne sfeer. We accepteren elkaar, ook al zijn er wel eens uiteenlopende meningen. '
Is er iets dat je in het bijzonder is bijgebleven?
`Tijdens een avonddienst was de portier ervan overtuigd dat er nog een student in het gebouw was achtergebleven, terwijl ik zeker wist dat ik die jongen naar buiten had zien lopen. Vervolgens zijn we dus heel lang op zoek geweest naar een student die er niet was. Achteraf lach je daar om.'
Wat is het grootste verschil met toen en nu?
`Collega's onder elkaar. En dat bedoel ik niet negatief, maar door de komst van de computer is er minder persoonlijk contact. Vroeger liep je naar elkaar toe, nu `zet je het wel even op de mail'. Jammer vind ik dat, maar ik maak mezelf er ook schuldig aan.'
En de sportieve student? Is die veranderd in veertig jaar?
`Niet echt. Mondiger zijn ze wel geworden.'
Hoe sportief ben jezelf eigenlijk? Elke dag onder werktijd aan de fitness?
`Sportief was ik altijd al. Ik train de jeugd van Losser, fietste naar het werk vanuit Losser en inderdaad, ik deed onder werktijd aan fitness. En dat blijf ik doen, ook nu ik in de VUT zit.'
Niet bang voor het grote zwarte gat met al die vrije tijd?
`Welnee. Heel veel mensen weten niet wat ze moeten met de VUT-regeling. Maar ik ga echt genieten van mijn vrije tijd. Bovendien heb ik vier kleinzoons, dus dat komt wel goed. Onder de UT-periode heb ik een streep gezet.'
![]()
Johan Wijering: …de studenten zijn wel veel mondiger geworden… (Foto: Arjan Reef)