Waargebeurd verhaal. Een groepje Zweedse burgers kan ineens niet meer pinnen. Hun banktegoeden zijn bevroren. De Zweedse bank blijkt daartoe gedwongen omdat de Zweden in kwestie verdacht worden van betrokkenheid bij terroristische activiteiten. Ze staan op een lijst met verdachte personen van de Verenigde Naties. Gevolgen: vergaande reisbeperkingen en bevroren banktegoeden. De Zweden willen het besluit aanvechten. Dat blijkt niet te kunnen. Het betreft hier immers geen nationaal of Europees besluit, maar een besluit van een internationale organisatie, in dit geval de VN, die zelf geen stelsel van rechtsbescherming biedt.
Er is dus niets wat de Zweden kunnen doen. `En dat is best lullig als je ten gevolge van een stom spelfoutje op die lijst bent terechtgekomen', zegt hoogleraar aan de faculteit BBT Ramses Wessel droogjes. Hij grijpt de Zweedse zaak aan om aan te tonen waar volgens hem een hiaat in de rechtsbescherming zit. `Wanneer je het als burger niet eens bent met een nationaal besluit dan biedt ons bestuursrecht allerlei mogelijkheden om in beroep te gaan. Ook voor besluiten van de Europese Unie, die de inwoners van de lidstaten rechtstreeks raken, is dat goed geregeld. Onze nationale rechter kan Europees recht toetsen en ook is er het Europese Hof in Luxemburg. Maar nu steeds meer andere internationale organisaties ook besluiten gaan nemen die de burger direct raken, ontstaat er een probleem. Het systeem van checks and balances werkt dan ineens niet meer.'
Vroeger, doceert Wessel, regelden internationale organisaties de relaties tussen staten. Nu bemoeien ze zich steeds vaker met individuen binnen staten. `Vroeger maakten staten afspraken met elkaar over het recht van de zee of de bescherming van Antarctica. Maar vervolgens implementeerden de lidstaten op basis van die afspraken zelf regels en dat waren dus nationale regels. Staten zijn echter steeds meer bereid om binnen internationale organisaties vele vergaande en gedetailleerde afspraken met elkaar te maken. Voor de nationale wetgever is dan geen ruimte meer. Landen moeten de afspraken wel accepteren om op wereldniveau mee te kunnen blijven doen. Neem bijvoorbeeld de Wereldhandelsorganisatie. Haar besluiten over suikerexport raken onze Groningse suikerboer direct. Maar die boer kan vervolgens nergens verhaal halen omdat het besluit op een niveau is genomen waar de Nederlandse of Europese rechter niets over te zeggen heeft.'
Wessel kondigt in zijn oratie aan om onderzoek te gaan doen naar een nieuw mondiaal systeem van rechtsbescherming. `Niet alle regels en wetten komen van de nationale staat of uit Brussel. Dat is een onomkeerbaar gevolg van de globalisering waar we rekening mee moeten houden. Hoe die rechtsbescherming eruit moet zien weet ik niet. Je zou het Internationaal Gerechtshof dat nu alleen toegankelijk is voor staten, open kunnen stellen voor individuen. Ook zou je de nationale rechter bevoegd kunnen maken om dergelijke besluiten te toetsen.'
De hoogleraar noemt het een interessant, maar ook noodzakelijk onderzoeksveld. `De komende jaren wil ik me hierop richten. Allereerst wil ik de omvang van het probleem in kaart brengen. Vervolgens rijst de vraag wat we er tegen gaan doen.' Zijn oratie maakt in ieder geval duidelijk dat de Europese burger het vizier niet langer alleen op Brussel moet richten. Wessel wil ons niet verontrusten, maar trekt wel even een vergelijking met science fiction. `In dat genre komen we er vaak te laat achter dat de buitenaardse wezens al onder ons zijn, zoals in de Aliens-serie of in de klassieker Invasion of the Body Snatchers. Zo is het ook met The Invasion by International Organizations: they're here!'
![]()
Ramses Wessel (Foto: Arjan Reef)