De raadsvoorzitters spraken afgelopen vrijdag, vier dagen vóór de officiële presentatie van het plan, met stuurgroepvoorzitter Loek Hermans en de drie CvB-voorzitters over het sectorplan. `Het politieke proces willen we niet dwarsbomen met kritische opmerkingen, maar we hebben wel afgesproken dat we nog op een aantal punten terug zullen komen,' vat Schrama de bijeenkomst samen.
De grootste verrassing zat hem voor de u-raden in de mogelijke personele consequenties van het sectorplan: binnen de drie tu's komen tussen de 1100 en 1400 arbeidsplaatsen in aanmerking voor `reallocatie'. Zoals bekend werden er in de eerste fase van de plannenmakerij door de stuurgroep ingrijpende maatregelen aangekondigd, die mede zouden leiden tot opheffing of verhuizing van complete onderzoeksgroepen.
In de tussentijdse conceptversies van het sectorplan kwam dit soort rigoureuze maatregelen niet meer voor. Ook niet in de eindversie, waarin alleen in algemene termen gesproken wordt over de `reallocatie van 12 tot 15 procent van de eerste geldstroommiddelen'.
Schrama: `Toen wij bij de stuurgroep daarop doorvroegen, bleken er tussen de 1100 en 1400 fte's in beweging te kunnen komen als je dat deel van de eerste geldstroom anders gaat besteden. Dat viel ons een beetje rauw op ons dak, want dat kan best ingrijpend zijn. Via herplaatsing, omscholing en natuurlijk verloop kun je veel oplossen. Maar de CvB-voorzitters sluiten niet uit dat er toch personeel moet afvloeien.'
Erg ongerust maakt Schrama zich echter nog niet: `Als onderzoekers hun bakens moeten gaan verzetten of bijgeschoold moeten worden, hebben we daar in principe tot 2010 de tijd voor. Dat is tijd genoeg om mensen op een passende plek proberen te krijgen. Het is een soortgelijke operatie als we in Twente hebben doorgevoerd bij het onderbrengen van ons onderzoek in speerpunten. Dat is heel netjes gegaan. Dus waarom zou dat op landelijk niveau niet kunnen?'
De rol van de universiteitsraden, als hoogste medezeggenschaporgaan, is een ander punt waar de raadsvoorzitters nog op terug willen komen. `Daar staat namelijk helemaal niets over in het sectorplan,' aldus Schrama. `Op dat punt heeft de stuurgroep het boetekleed aangetrokken en gezegd: `Ja, dat had er wel in gemoeten'. Voor ons is namelijk niet duidelijk of alle instellingen gebonden zijn aan een meerderheidsbesluit van de drie collegevoorzitters. En zo ja, wat heeft de medezeggenschap dan nog voor zin?' Schrama doelt op de zogeheten `doorzettingsmacht' die aan de drie CvB-voorzitters wordt toebedeeld in het sectorplan. Die houdt in dat de drie tu-voorzitters bij meerderheid besluiten kunnen nemen over wat er bij (elkaars) instellingen moet gebeuren. `De bevoegdheid van de universiteitsraden wordt niet aangetast, is ons verzekerd. Maar we willen wel zeker weten dat we door de `doorzettingsmacht' niet voor voldongen feiten gezet kunnen worden. Daar komen we dus op terug,' aldus Schrama.