De gloednieuwe virtuele TU Nederland spreekt met drie monden. Ze vullen elkaar aan. En soms, heel soms corrigeren ze elkaar. In het Haagse perscentrum Nieuwspoort zitten de collegevoorzitters van de Nederlandse technische universiteiten eensgezind naast elkaar. Ze worden geïnterviewd door de hoofdredacteuren van de drie TU-bladen. Trots en glimmendgroen ligt `Slagkracht in innovatie!' op tafel: het is het definitieve Sectorplan Wetenschap & Technologie met daarin de verstrekkende samenwerkingsplannen van de drie Nederlandse TU's.
Prof.dr.ir. Frans van Vught (Universiteit Twente), ir. Hans van Luijk (TU Delft) en ing. Amandus Lundqvist (TU Eindhoven) laten tijdens het interview af en toe een glimlach zien - een welkome afwisseling tussen de meestal formele bestuurlijke bewoordingen. Soms wordt deze gevolgd door een uiting van oprecht enthousiasme. `Dit plan is - om het eens in maoïstische termen te zeggen - een grote sprong voorwaarts', zegt Van Vught. `We houden van elkaar', bekent Lundqvist.
Ja, de heren zijn positief over het sectorplan. Zo positief zelfs, dat ze meteen aan de slag willen en in het openbaar liever niet stilstaan bij eventuele problemen. Ze blazen vooral de loftrompet. Problemen? Voor alles komt te zijner tijd een oplossing, menen ze. Van Luijk: `Het probleem in Nederland is vaak de implementatie. We kunnen goed structuren genereren en processen. We kunnen er jaren over praten. Maar wij hebben genoeg aan een way forward. We weten welke kant we op willen, maar hoeven nog niet alles exact in te vullen. Morgen beginnen we met onze afstemming en onderweg zien we de obstakels wel. Laten we ons niet a priori vastbijten in bestuursmodellen.'
Ook hoedt het trio zich om te ver voor de kudde uit te lopen. Het streven is gericht op een federatie in 2010, maar van één bestuur willen de voorzitters nog niets weten, alhoewel staatssecretaris Nijs daar een uurtje later tijdens de perspresentatie wel een opmerking over maakt. De belangrijkste onderwerpen - onderwijs, onderzoek en kennisvalorisatie - zullen ze in federatief verband afstemmen, dat wel. Maar een instituut met één bestuur gaat ver, te ver om nu al bij stil te staan. Van Luijk: 'Een federatie is zo licht of zwaar als je hem zelf maakt. We gaan met elkaar aan de slag en na verloop van tijd bepalen we hoe deze federatie er uit moet zien.'
De voorzitters hekelen het cynisme dat altijd rond goedbedoelde plannen hangt. Ze roepen op tot positief denken. Geen paniek dus over het ombuigen van twaalf tot vijftien procent van de eerste geldstroom, een percentage dat een equivalent is van ongeveer veertienhonderd onderzoeksbanen. Van Luijk: 'Er verdwijnen geen banen om de winst van de instelling te vergroten, maar om het een chronisch geldgebrek op de onderzoekswerkvloer weg te werken. Door te focusseren is er meer geld om sterke groepen te versterken en topwetenschappers aan te stellen. We maken geld vrij om te herinvesteren in gebieden waarin we wél excelleren. Dat is dus juist een goed-nieuws-show voor de onderzoekers.'
Veertienhonderd banen klinkt bovendien erger dan het is, betogen de voorzitters. Het gaat immers niet om werkelijke banen, maar om fte's, waardoor het aantal gedwongen ontslagen - die niet worden uitgersloten- vermoedelijk veel minder is: uit een schatting blijkt dat `slechts' vierhonderd à vierhonderdvijftig banen weg moeten. `Dat is nog wel te overzien', meent Van Vught, aangezien de TU's zichzelf tot 2010 de tijd hebben gegeven voor de reorganisatie. `Het gaat om nog geen twintig banen per universiteit per jaar.' De wetenschappers in de overige duizend banen moeten na de herverdeling van onderzoeksgroepen waarschijnlijk binnen de eigen universiteit ander onderzoek doen of verhuizen naar een andere TU.
En natuurlijk zijn de drie TU's elkaars ideale partner, ook al heeft elke universiteit haar eigen bestuurlijke problemen. `Als we niet genoeg van elkaar gehouden hadden had dit sectorplan hier niet gelegen', zegt Lundqvist. `Ik heb in het bedrijfsleven heel wat fusies meegemaakt en er is altijd een beetje chemistry nodig. Natuurlijk hebben we allemaal onze eigen gebruiksaanwijzing, maar we hebben elkaar kunnen vinden.'
Volgens Van Vught komt dat omdat de problemen van de drie technische universiteiten veel op elkaar lijken. `Gedrieën kunnen we ze beter oplossen dan afzonderlijk. Maar dat is de negatieve motivatie. De positieve motivatie voor een federatie is dat een TU Nederland aanzienlijk sterker is dan drie aparte TU's. Samen zijn we een Europese topspeler en een aardige wereldspeler. We willen de eredivisie in. Voor de studenten is dat ook aardig: meer doorstroommogelijkheden, meer extra vakken en een diploma van een gerenommeerde universiteit. In de Verenigde Staten studeer je toch ook liever af bij het MIT dan bij Iowa State University?'
Dat de TU's er naast het onderlinge huwelijk alledrie maitraisses op nahouden - Delft werkt ook samen met Leiden, Eindhoven met Nijmegen en Maastricht en Enschede met Groningen - is voor de collegevoorzitters geen enkel probleem. Met deze samenwerking zoeken de TU's immers geen verdieping maar juist een verbreding van het onderzoek - volgens Van Vught twee verschillende processen. 'Voor Twente biedt de samenwerking met Groningen een koppeling naar basisdisciplines als natuurkunde, scheikunde en wiskunde. Maar technische diepgang levert het niet op. Daarvoor is schaalvergroting noodzakelijk.'
Een ander misverstand is volgens de voorzitters dat de onderzoekers in de drie steden - die volgens het sectorplan met hun collega's in de andere steden moeten gaan praten over de herprioritering - argwanend zijn omdat ze zelf misschien de dupe worden van verschuivingen. Van Vught: 'Bij Elektrotechniek hebben we de samenwerking al in praktijk gebracht. Daar hebben de onderzoekers uit de drie steden samen gezocht naar de punten waar de verschillende groepen goed in zijn. Dat afstemmen is aantrekkelijk en motiverend.'
En ook Lundqvist benadrukt dat de communicatie nu juist beter is dan ooit. `Eerst spraken de wetenschappers van de drie TU's vooral óver elkaar - zonder elkaar te kennen. Inmiddels praten ze mét elkaar, waardoor ze die enorme argwaan doorbreken. Als je elkaar leert kennen, leer je elkaar waarderen. Zo is dat met ons - de collegevoorzitters - ook gegaan.'
Maar het vriendelijk praten houdt een keer op. Het sectorplan geeft de drie collegevoorzitters bij meningsverschillen een gezamenlijke `doorzettingsmacht'. Heel snel zullen de voorzitters hier niet naar grijpen, meent Lundqvist. `Als de partijen er niet uitkomen moet er een mogelijkheid tot dwang zijn. Maar laten we daar niet op vooruit lopen. We moeten eerst proberen de win-win-win-punten eruit te halen. Of dat altijd makkelijk gaat? Nee, bij het opstellen van het sectorplan hebben we ook wel eens een time-out moeten nemen.'
De voorzitters bestrijden de suggestie van het Financieele Dagblad van vorige week dinsdag dat `in geval van conflict het twee-tegen-éénprincipe doorslaggevend is' en Twente en Delft bijvoorbeeld kunnen beslissen over het verdwijnen van een Eindhovense vakgroep. Van Vught: 'Doorzettingsmacht staat synoniem voor wilskracht. Wij wíllen dat het een succes wordt en daar zullen we ons voor inzetten. Daarbij past geen mechanisme van twee tegen één - dat is duidelijk. Als een punt heel principieel ligt betrekken we andere partijen bij de besluitvorming, de Raad van Advies bijvoorbeeld.'
Over de samenstelling en het mandaat van deze raad is tot op heden nog niet veel bekend, noch hoe deze zich verhoudt tot de raden van toezicht, die zich tot dusver wat afzijdig opstellen. Van Luijk: `In de Raad van Advies komen mensen uit het bedrijfsleven, de overheid en de wetenschap met een excellente reputatie - mensen die zich bewezen hebben.' Stuurgroepvoorzitter Loek Hermans liet dinsdag al weten dat er mensen benaderd zijn. Namen noemde hij nog niet.
Duidelijker is de rol van de stakeholders, de partijen die decanen en wetenschappelijk directeuren moeten bijstaan bij keuzes op het gebied van onderwijs onderzoek en kennisvalorisatie. Veelal vakinhoudelijke mensen. Van Vught: 'De stakeholders kunnen middelbare scholen zijn voor overleg over de doorstroming na het vwo, maar ook bedrijven of brancheorganisaties. Heel nieuw is dit idee overigens niet. Zulk overleg bestaat nu al. Onderzoek heeft vrijwel altijd een praktische dimensie.'
Na een gesprek van een uur zitten de collegevoorzitters nog even eensgezind in de kleine vergaderzaal van Nieuwspoort. Na het interview zullen ze, samen met stuurgroepvoorzitter Loek Hermans het sectorplan - in aanwezigheid van de pers - aan staatssecretaris Annette Nijs presenteren. Ze weten nog niet met hoeveel lof de staatssecretaris over de plannen zal spreken en en ze weten nog niet dat over die verlangde 210 miljoen euro die ze zo graag uit de staatskas ontvangen om de kosten van de operatie te dekken, eerst met alle partijen gepraat moet worden.
Toch gaan de plannen door, bezweren de voorzitters nu al. Ook als er geen geld op tafel komt dus. Het zal dan langzamer gaan, waardoor ook de Lissabontargets niet gehaald worden. En de gevolgen voor de kenniseconomie zijn dan wel voor rekening van de overheid. Van Vught: 'Als het Rijk niet meedoet, waar staan we dan in 2010? De Nederlandse kenniseconomie zakt steeds verder weg. Als we de Nederlandse bijdrage aan doelstellingen van Lissabon (Europa als beste kenniseconomie van de wereld) willen halen is een versnelling nodig.' Zijn Delftse collega Van Luijk vult aan: `Zonder die 210 miljoen kunnen we tot 2010 alleen maar afslanken. Dan gaat ons geld naar wachtgeldregelingen, niet naar herinvesteringen. We hebben in onze eigen begroting geen stuiver over.'
De auteur is freelanc-journalist en door de drie TU-bladen belast met de uitwerking van dit interview.
Rik Kuiper
Amandus Lundqvist (links) en Hans van Luijk: .. de koers ligt vast...
![]()
![]()