De drie technische universiteiten in Nederland streven naar de totstandkoming van een federatie van TU's in 2010, die in onderwijs en onderzoek tot de absolute Europese top behoort. Door het afleveren van uitstekend geschoolde ingenieurs en door het genereren van innovaties, zal deze federatie de dynamiek en de concurrentiepositie van de Nederlandse kenniseconomie versterken.
Dit staat in de concept-eindversie van het Sectorplan Techniek dat begin maart openbaar wordt gemaakt. Volgende week buigt de U-raad zich over het rapport, dat hier en daar nog wat wordt bijgeschaafd maar geen wezenlijke veranderingen meer zal ondergaan. De opstellers noemen het Plan `een historische en vergaande stap in de ontwikkeling van het Nederlands hoger onderwijs' en stellen dat ze met deze ambitieuze doelstelling aanzienlijk verder gaan dan de opdracht van staatssecretaris Nijs. Die hield in: het afspreken van een taakverdeling op landelijk niveau, leidend tot een doelmatig palet van masteropleidingen, het verbreden en aantrekkelijker maken van de bacheloropleidingen en het uitwerken van internationale samenwerking.
Het plan dat er nu ligt is ontdaan van de vaagheid en vrijblijvendheid van eerdere versies. Er worden externe panels van deskundigen ingesteld die de resultaten van de implementatie en de procesgang op zijn deugdelijkheid gaan toetsen, er komen -voorzover nog niet aanwezig- raden van advies, terwijl de federatie ook één raad van toezicht krijgt. Een nieuw fenomeen is de (maatschappelijke) stakeholder, een soort aandeelhouder met een adviserende rol op het gebied van onderwijs, onderzoek en kennisvalorisatie.
Geen fusie dus, wel een federatie. Daarin werken de drie universiteiten intensief met elkaar samen op het gebied van onderwijs, onderzoek en kennisvalorisatie, en presenteren ze zich als eenheid in het buitenland. Ze behouden daarbij echter hun eigen autonomie. Het gevreesde bloed lijkt er niet te gaan vloeien, de TU's denken zelf bottom up orde op zaken met een keur aan maatregelen, die de federatie excellence moet geven.
In de eindversie is geluisterd naar vooral de kritiek vanuit Eindhoven en Delft: de verwevenheid van onderwijs en onderzoek (en kennisvalorisatie) is terug en zo op het eerste gezicht is het bureaucratisch gehalte van de plannen bijgesteld. Het Plan bevat een aantal nieuwe gezichtspunten ten opzichte van de concepten die vorig jaar mei en november verschenen. Nieuw is, zoals dit blad al eerder meldde, het 3 TU Innovation Lab dat in Nederland, zo is de bedoeling, een voorname rol gaat vervullen op het gebied van kennisoverdracht- en valorisatie, kennisparken en starters, inclusief een gefundeerd octrooibeleid.
Er komt geen extra bestuurslaag om de implementatie van de plannen aan te sturen, maar zal dat een proces zijn dat de TU's zelf intern ter hand nemen met behulp van kleine eenheden onder leiding van een senior-medewerker op directeursniveau. Daarmee is voor de gezagsdragers binnen vooral de TUE en TU Delft de kou uit de lucht. Een belangrijke rol hebben de CvB-voorzitters aan zich zelf toebedacht. Ze gaan de regie gaan voeren over de invoering van de plannen en kunnen daarbij knopen doorhakken als de voortgang of andere resultaten te wensen overlaten. Hun collega's in het CvB, de portefeuillehouders onderzoek en kennisvalorisatie, organiseren het afstemmingsproces dat `inhoudelijk, bottom up op het niveau van decanen en wetenschappelijk directeuren wordt ingevuld'. Daarbij worden ze bijgestaan door kleine organisatorische eenheden, te recruteren uit de bestaande personeelsformaties, en aan te sturen door zoals gezegd, een senior-functionaris.
Wat het onderwijs betreft stellen de drie TU's zich tot 2010 ten doel:
verhoging van de instroom in de bacheloropeidingen met 15% (mede door het aantrekken van meer buitenlanders), een rendement tot 70% van de bachelors, verhoging van de instroom in de masters en ontwerpersopleidingen met 30% en een verhoging van het rendement in de masters tot 90%. Targets qua onderzoek, onder andere: aansluiting van hun zwaartepunten met de nationale onderzoeksprioriteiten, samenwerking met technologische topinstituten, een gezamenlijke plaats in de absolute Europese top, verhoging van het aantal promoties en een verhoging van de omvang van de tweede geldstroom met 20%, de derde geldstroom met 20%, het aantal patenten met 20% en het aantal spin-offbedrijven met 25%. Met de RU is een inhoudelijke afstemming afgesproken op de gebieden (technische) wiskunde, natuurkunde, scheikunde en scheikundige technologie en technische bedrijfskunde.
Bekend was al wel dat in de 3 TU Graduate School alle masteropleidingen zijn ondergebracht. Nieuw is het streven om beurzen in het leven te roepen, met behulp van staat en bedrijfsleven, teneinde de instroom te stimuleren. `De absolute noodzaak voor een groter aantal ingenieurs rechtvaardigt substantieel lagere of afschaffing van collegegelden voor technische opleidingen' zo heet het in de nota. Zij-instromers en -nog belangrijker- buitenlanders worden als belangrijke doelgroepen gezien. Bekeken moet worden of deze studenten soepel kunnen doorstromen in een PhD-traject.
In het Plan is ook een nieuwe, dynamischer opzet voor de lerarenopleiding uitgewerkt en zal ook het aanbod van ontwerpersopleidingen worden gerevitaliseerd. Per 1 januari hebben de drie TU's besloten de ontwerpersbul te waarderen met Professional Doctorate in Engineering.
De TU's werken nog aan een gedetailleerde begroting, die in de tientallen miljoenen zal lopen. De U-raad zal de nota volgende week vooral beoordelen op zijn impact op de UT-organisatie. Dat zal niet meevallen want in feite zal die pas blijken in de uitwerking en implementatie van het geheel.