Jan
Ik was net uit de moskee getreden en toen ontmoette ik Jan. Godsdienst is opium voor het volk, zei hij. En Jan kon het weten. Want hij was door de paters opgevoed. En hij had boeken gelezen. Ook het boek van de man die had gezegd dat godsdienst opium voor het volk is. Zijn volk. De arbeiders.
Kom binnen, zei Jan, maar voorziet u niet van goud of zilver, want de arbeider is zijn voedsel waard. Dat moesten de woorden van een oude socialist zijn. Getroffen door zulk een oprechte soberheid gaf ik mijn loonzakje gewillig af aan de portier. Ja, verzuchtte die, terwijl hij de biljetten gretig natelde, het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke de socialistische heilstaat binnengaat. En ik voelde mij beschaamd dat ik niet wist of het nou Marx of Mao was die deze woorden had gesproken.
Het gesprek kwam al snel weer op de godsdienst. Er is geen god, sprak iemand. Ik wou dat volmondig beamen, maar de spreekster maakte haar zin af: Er is geen god dan Hij (ze wees naar Jan), de levende, de zelfstandige, sluimer noch slaap kan Hem treffen, en Hem behoort toe wat er in de hemelen en op de aarde is. Was ik hier getuige van dictatuur verpakt als monotheïsme! Waar was hier de democratie? Jan verontschuldigde zich. Niet gij hebt mij, maar ik heb u uitgekozen. Waarop een ander meende te moeten verzachten: Er is hier geen dwang. Waarlijk, de rechte leiding is duidelijk onderscheiden van de dwaling. En hij die de dwaling verwerpt en Jan volgt, hij heeft zeker het stevigste houvast gegrepen.
Ik rook een vreemde mengeling van opiaten. Die Jan bleek een gewiekste dealer. Uitnodigend: Ik ben de goede herder. Ik zet mijn leven in voor de schapen. Nog andere schapen heb ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder. Z'n lammeren knikten. Hij is de Weg, Hij is de Waarheid, scandeerden ze. En ik wou opstaan en vertrekken, maar Jan brieste: Ik ben de ware wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in mij blijft, gelijk ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder mij kunt gij niets doen. Wie in mij niet blijft, is buitengeworpen als rank en is verdord. En men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en ze worden verbrand.
De grond werd mij nu echt te heet onder de voeten. Ik griste mijn loonzakje uit de handen van de portier en vluchtte naar buiten. Achter mij hoorde ik nog net hoe de uitverkorenen mij uitmaakten voor een roofgierige wolf. Maar het kon mij niet meer deren. Voor de tweede keer in korte tijd was ik erin geslaagd uit het geloof te stappen. Ditmaal uit de kerk die de SP heette.