Onnodige luxe?
Wij van UT-Nieuws hebben vorige week nieuwe bureaus gekregen. Degelijke, solide beukenkleurige op hoogte verstelbare tafels met, spring-es-uit-de-band, lavendelblauwe poten. Dat lavendelblauw was net zo duur als gewoon veilig zwart, anders waren wij ons niet te buiten gegaan aan deze luxueuze uitspatting.
Wij vinden onze werkplek nu reuze representatief. Iedereen is blij in de weer gegaan met geinige bureau-accessoires. Fotootje hier, pennenbakje daar, postertje aan de wand.
Een kinderhand is gauw gevuld moet u maar denken.
De directie van uitkeringsinstantie UWV hanteert heel andere maatstaven, zo bleek onlangs. Een zwart basaltstenen toilet? Helemaal niet overbodig. Vruchtenhouten plafonds? Marmeren vloeren? Wat nou, luxe? Degelijk marmer, niet kapot te krijgen. Niks mis mee. Mag een mens er een beetje representatief bij zitten of niet?
Tsja, wat is representatief?
Neem nou de bewakingsdienst die deze week in een ingezonden brief nogal nijdig uithaalt naar de kwalificatie `truttig' die vorige week werd gegeven aan hun geliefde Suzuki Jimny, de blauwe auto die regelmatig voor portiersloge Charlie staat geparkeerd. Tsja, wat is truttig? Oordeelt u zelf zouden we zeggen. Interessanter vonden wij de vermelding van de bewakingsdienst dat zij mede gekozen hebben voor de Suzuki omdat zij wel in een auto met uitstraling, maar niet in een onnodig duur voertuig willen rijden.
Representatief met mate. Hulde!
Wat voor auto zou iemand eigenlijk rijden die zijn plasje alleen maar wil doen onder een vruchtenhouten plafond? Vast zo'n aanstellerige dure slee.
Nergens voor nodig.
Maar toch.
Het blijft knagen.
Een notenhouten pennenbakje.
Zou dat even mooi staan!
Gedicht
Wie zich in poëzie verdiept, belandt in een hele andere wereld. Soms moet je wel. Als een UT-medewerker de dikke Komrij haalt met een gedicht over de grondslagencrisis van de wiskunde bijvoorbeeld. Dan wil je ook wel eens weten wat voor gedichten de dichter des vaderlands zoal nog meer bekroont.
Dus blader je wat door de elektronische index van Komrijs tweedelige pil. Je herkent de grote jongens als Nijhoff en Marsman, maar je vergaapt je het meest aan het legioen volkomen onbekende poëten, die opeens een sprankje onsterfelijkheid hebben verworven. Je licht hun doopceel op internet en belandt onwillekeurig in de uitgeverswereld, tussen de bloemlezers en bundelaars, en valt van de ene verbazing in de andere.
Want wat wordt er zoal gebundeld? Heel veel hoogdravends, heel veel leed, heel veel liefde, heel veel dood. Kindergedichten, bloemengedichten, oorlogsgedichten. Riviergedichten, diergedichten, kalendergedichten. Wandelgedichten, Duitse gedichten, Twentse gedichten. En kutgedichten.
Jawel, kutgedichten. Pas verschenen, eind januari gepresenteerd op onze nationale gedichtendag. Even rechtzetten: het is geen bundel waardeloze poëtische huisvlijt, maar het zijn heuse literaire hoogstandjes, die allemaal draaien om het vrouwelijk geslachtsorgaan. `Dat klinkt grappig, maar zo is het niet bedoeld,' waarschuwen de bloemlezers. Ze hebben 69 gedichten verzameld waarin `de vagina in al haar kwetsbaarheid, vreugde en pijn' wordt getoond. Daar kunnen we even mee vooruit, daar halen we de zomer wel mee, dachten we.
Totdat we de volgende bloemlezing alweer aangekondigd zagen: van dezelfde samenstellers verschijnt dit voorjaar de bundel `Klotegedichten.' Voor wie vindt dat de vorige bloemlezing een te eenzijdig beeld geeft van de wereld der geslachtsorganen. De potentiële lezer wordt wel meteen gewaarschuwd: gedichten die louter over de leuter gaan worden niet opgenomen. Verzen over de ballen en het scrotum daarentegen wel.
We hebben er zin in.