UT-studenten zijn ontevreden over het tempo waarin hun tentamens worden nagekeken: alleen de opleiding TW bedient haar studenten op tijd met de uitslagen. Het algemene oordeel over de kwaliteit van het UT-onderwijs is echter `overwegend positief'.
Dit blijkt uit een tevredenheidsonderzoek onder een kleine duizend tweedejaars bachelorstudenten. Het onderzoek is vorig jaar door de dienst ITBE uitgevoerd in opdracht van het college van bestuur. De resultaten zijn onlangs besproken in de centrale commissie onderwijs. Hoewel het eindoordeel positief uit valt is op een aantal punten verbetering nodig, stellen de onderzoekers.
Alle opleidingen, behalve TW, doen te lang over het nakijken van tentamens, vinden de ondervraagde tweedejaars. Informatica en BIT maken het daarbij het bontst. Als het gaat om de duidelijkheid van de tentamenbeoordeling scoren industrieel ontwerpen en communicatiewetenschap een onvoldoende; nog eens vijf opleidingen (BMT, TBK, TN, WWTS en wederom INF) zitten in de gevarenzone.
Negatief, over het geheel genomen, wordt ook de studiebegeleiding beoordeeld. Daarbij ontbreekt het vooral aan hulp bij studieplanning en gesprekken over studievoortgang. Met de informatievoorziening over het volgen van onderwijs bij andere universiteiten staat het er slecht voor.
Ronduit positief zijn de tweedejaars over de kwaliteit van hun docenten: op hun vakinhoudelijke en didactische professionaliteit hebben ze weinig aan te merken. Ook met de `sfeer' in het onderwijs en in hun leefomgeving, gemeten naar hun betrokkenheid bij de opleiding, contact met de docenten, geschiktheid van de onderwijsruimtes, uitgaans- en verenigingsleven, is niks mis volgens de ondervraagden. Huisvesting en ict-faciliteiten scoren eveneens hoog in het tevredenheidsonderzoek.
Kritisch zijn de ondervraagden over hun eigen studiegedrag: ze noemen zichzelf niet slecht, maar ook niet goed gemotiveerd voor hun studie. En harder studeren moeten ze eigenlijk ook, vindt 57 procent van de studenten zelf. De gemiddelde tweedejaars zit namelijk maar 27 uur per week met zijn neus in de boeken, terwijl dat volgens hun eigen zeggen eigenlijk 10 uur meer had moeten zijn. Technische studenten studeren overigens vijf uur meer per week (gemiddeld 29 uur) dan hun collega's uit de overige opleidingen.
Bij beide groepen blijft er genoeg tijd over voor het verenigingsleven en studentenactivisme: negen uur per week besteedt de gemiddelde tweedejaars aan activiteiten in verenigingsverband. Daarbij staan de sportverenigingen bij de helft van de studenten bovenaan, gevolg door studie- en gezelligheidsverenigingen (elk 22 procent). Dertien procent van de studenten besteedt het grootste deel van zijn negen activisme-uren aan culturele verenigingen. Dertig procent van de tweedejaars is bestuurlijk bezig.
Aan het begin van het tweede studiejaar was 95 procent van de studenten van plan om na zijn bachelor- ook een masterdiploma te gaan halen. Negen procent van hen wil niet op de UT doen maar aan een andere universiteit.