(zie ook elders in UT-Nieuws, rubriek nieuws)
Wat is er voor nodig om succesvol nieuwe kennis te ontwikkelen en toe te passen? Die vraag willen onderwijskundigen van de faculteit Gedragswetenschappen beantwoorden. Voor hun onderzoek naar kennisproductiviteit ontvangen ze een half miljoen uit het Bsik-programma. Paul Keursten, wetenschapper bij de afdeling curriculumtechnologie: `De meeste Bsik-projecten richten zich sterk op de inhoud. Wij kijken hoe die inhoud tot stand komt.'
Achthonderdmiljoen geeft het ministerie totaal uit in de Bsik-subsidieronde, de derde ronde van het Ices-Kis programma. Een kleine tachtig miljoen daarvan gaat naar het project `Systeeminnovatie ruimtegebruik en Gebiedsontwikkeling Stad en Land', een onderzoek van de stichting Habiforum naar meervoudig ruimtegebruik. En uit die portemonnee komt het halve miljoen voor de onderzoekers van de afdeling curriculumtechnologie. Hoogleraar Joseph Kessels en Paul Keursten leiden het relatief kleine project. Suzanne Verdonschot, pas afgestudeerd bij TO, is aangetrokken als aio. In totaal zullen zes mensen aan het onderzoek werken. Die bescheiden omvang heeft zo z'n voordelen, vindt Keursten. Want hoewel de contractbesprekingen over het grote geld nog in gang zijn, is het project kennisproductiviteit al begonnen. `Die financiële besprekingen gaan langs ons heen. We zitten als het ware in de luwte. Ons geld ligt niet onder druk en komt gewoon beschikbaar.'
Bsik geld gaat toch voornamelijk naar de ontwikkeling van nieuwe technologieën?
Keursten: `Inderdaad. Het valt op dat veel voorstellen uit de technische hoek komen en sterk gericht zijn op de inhoud. Wij willen juist kijken hoe men komt tot nieuwe kennis. Wat is ervoor nodig om nieuwe kennis te ontwikkelen en toe te passen? Het Bsik-programma gaat over kennisinfrastructuur en het vermogen om kennis voort te brengen is daarin erg belangrijk. Maar voor zover ik weet is ons onderzoek een van de weinige die op zoek gaan naar de motor van kennisontwikkeling. Een spannende zoektocht.'
Hoe ziet die tocht eruit?
Verdonschot: `Het onderzoek naar meervoudig ruimtegebruik maakt gebruik van zogenoemde communities of practice, ook wel proeftuinen. Die zijn nu in oprichting. Mensen uit de praktijk gaan met elkaar oplossingen zoeken voor urgente ruimtelijke vraagstukken. Ze gaan bijvoorbeeld met z'n allen werken aan een nieuw stationsgebied of de ontwikkeling van een stedendriehoek. Ze werken concreet in de praktijk maar moeten ook nieuwe concepten ontwikkelen, tot nieuwe kennis komen. Wij gaan die communities volgen om de kennisontwikkeling die ze doormaken te bestuderen.'
Hoe dan?
Keursten: ` Elke proeftuinleider wordt aan een onderzoeker gekoppeld. Die leiders houden bij wat er in hun proeftuin gebeurt. Wat zijn belangrijke momenten in het proces? Wanneer ontstond het gevoel dat er iets veranderde? We zullen de leiders met regelmaat interviewen maar ook zelf bij de proeftuinactiviteiten aanwezig zijn. Op die manier kunnen we kijken wat kansrijke aanpakken zijn.'
Verdonschot: `Omdat we zelf bij de sessies zijn, zitten we in het veld. We gaan niet vanuit een kamertje onderzoek doen, maar op stap in het land. Bovendien kunnen we de kennis die we opdoen meteen weer terugbrengen in de proeftuinen. Zo dragen we actief bij.'
Wat verwachten jullie?
Keursten: `We hebben hier wel eerder onderzoek naar gedaan. Maar met dit geld kunnen we de basis flink uitbreiden. Een van de aannames is dat aandacht voor de persoonlijke motivatie en drijfveren van de deelnemers in de proeftuin, zorgt voor een hogere productiviteit. Vaak heeft een groep een soort collectief belang, dat haalt de energie er uit. De verbinding met het individuele doel moet tastbaar blijven. Onze groep, die bestaat uit zes mensen, wordt zelf trouwens ook een soort proeftuin. Want wij ontwikkelen zelf ook kennis.'
Verdonschot: `Kennisontwikkeling over kennisontwikkeling. Zie daar het Droste-effect.'
Jannie Benedictus
Paul Keursten en Suzanne Verdonschot
![]()