Er zijn sterke aanwijzingen dat Neanderthalers intensief samenwerkten, zowel met individuen van verschillende leeftijden als met die van het andere geslacht. Waarschijnlijk leefden ze in groepen van ca. 150 individuen, groepen die drie keer zo groot zijn als die van chimpansees. Ook de moderne mens heeft gemiddeld zo'n 150 namen in zijn agenda staan. Het onderhouden van de sociale contacten met een groep van deze grootte lukt niet meer door middel van vlooien, zoals apen dat doen, maar veronderstelt het gebruik van taal. Taal is in deze visie een soort sociaal cement, nodig voor de ontwikkeling en het onderhoud van relaties.
Uit onderzoek van de chemische samenstelling van de beenderen van de Neanderthalers blijkt dat de jacht zeer belangrijk was voor de Neanderthalers. Om effectief te kunnen jagen is een gedetailleerde kennis nodig, van de omgeving, van diergedrag en diersporen. Grote hersenen zijn een nuttig hulpmiddel om die kennis te kunnen verwerven en gebruiken. Neanderthalers hadden inderdaad hersenen die de onze qua grootte de baas waren. De jacht impliceert samenwerking, omdat het de overlijdenskans reduceert. De jacht is een alles-of-niets-activiteit: wie niets te eten verwerft, overlijdt.
Er bestaat een sterk verband tussen de relatieve grootte van het slimme, `denkende' deel van de hersenen, de neocortex, en de groepsgrootte van primaten. Waarschijnlijk is die correlatie zo sterk doordat een grotere neocortex meer sociale relaties kan behappen. Het onderhouden van een grotere hoeveelheid sociale relaties kan niet meer `op zijn aapjes', door fysiek contact. Er moet immers tijd overblijven om aan voedsel te komen. Het is waarschijnlijk dat rond de tijd van de Neanderthalers de typisch menselijke variant van het vlooien, het bevestigen van de sociale band, ontstond: taal. (bron: Universiteit Leiden)