'Gemengde gevoelens' bij T&M

| Redactie

Het bestuur van de faculteit T&M zegt in een schriftelijke verklaring 'met gemengde gevoelens' kennis te hebben genomen van de uitkomsten van de onderzoekbeoordeling bedrijfskunde. Enerzijds ziet het bestuur de conclusies als een 'ondersteuning' van het sinds begin 1996 door de faculteit nieuw opgezette onderzoekbeleid (de visitatie heeft overigens betrekking op de periode 1992-1996). Het bestuur erkent dat de onderzoekcultuur moet worden versterkt en dat er meer in internationale tijdschriften moet worden gepubliceerd. Inmiddels zijn daarom ook maatregelen genomen.

Anderzijds is de faculteit 'teleurgesteld'. De commissie heeft 'onvoldoende' recht gedaan aan de specifieke positie van bedrijfskunde in Nederland als jonge, zich nog volop ontwikkelende discipline en aan de positie van de bedrijfskundefaculteiten met hun 'verhoudingsgewijs zeer zware' onderwijsbelasting. Door 'eenzijdig' nadruk te leggen op internationale wetenschappelijke publicaties gaat de commissie voorbij aan het toegepaste en maatschappelijk relevante karakter van vooral technische bedrijfskunde.

De teleurstelling van T&M betreft 'vanzelfsprekend' ook de conclusies van de commissie over het Twentse onderzoek. Volgens de commissie scoren twee van de drie programma's ongeveer gemiddeld, terwijl het derde daaronder ligt. Maar omdat andere faculteiten veelal wel een of meer beter scorende programma's hebben valt het totaalbeeld van Twente negatief uit.

Vooral teleurgesteld is het faculteitsbestuur omdat de commissie enkele 'fundamentele bezwaren' niet heeft gehonoreerd die T&M in reactie op het voorlopige rapport naar voren heeft gebracht. Dat betreft onder meer de door de commissie gehanteerde berekening van de onderzoeksinput. De staf beschikt door de hoge onderwijslast over minder werkelijke onderzoekstijd dan de commissie veronderstelt. Hoewel T&M binnen de UT al jaren de opleiding is met de meeste studenten, ontving ze tot en met 1995 het laagste bedrag aan onderzoekmiddelen van alle opleidingen binnen de UT. Sinds 1996 is hierin verbetering gekomen, maar dat was te laat om nog te worden meegenomen in de visitatie, aldus het faculteitsbestuur.

Een ander gevolg van de lage onderzoekfinanciering is de scheve verhouding tussen senior- en junior-staf. De faculteit heeft van het CvB een flink aantal aio's moeten aanstellen waardoor vrijwel alle beschikbare onderzoekstijd van de senior-staf op ging aan begeleiding van de junioren. Daardoor bleef nauwelijks tijd over voor internationale wetenschappelijke publicatie. Hoewel de commissie dit soort kritiekpunten wel heeft erkend, en ook melding maakt van hoge onderwijslast en relatieve 'research understaffing', verbindt zij hieraan 'helaas' geen verdere consequenties voor het eindoordeel, aldus de verklaring van het faculteitsbestuur.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.