Studenten moeten gewoon méédoen

| Redactie

In het Jaarboek Kennissamenleving laten auteurs in 250 pagina's hun licht schijnen op de kennissamenleving waarin we leven, wonen en werken. In juni verschijnt het derde deel met als thema onderwijs. Want in de schoolbanken worden mensen voorbereid op hun deelname aan een kennisintensieve samenleving. Maar hoe?

Anne Dijkstra, medewerker onderzoek bij de faculteit GW, zit in de centrale redactie van het jaarboek. `Vroeger was het een tijdschrift', vertelt ze. `Het tijdschrift voor wetenschap, technologie en samenleving. Maar dat had te weinig abonnees dus dat werd opgeheven. Toch wel zonde, vonden we, want we menen dat de wetenschap wel een taak heeft op dit gebied. Vandaar dat we toen een jaarboek hebben ontwikkeld. Het eerste deel ging over de invloed van kennis op beleid, het tweede deel over de manier waarop kennis wordt verbeeld.'

Het derde deel, dat medio juni verschijnt, moest over onderwijs gaan, vonden de redactieleden. Hoe moet het onderwijs worden ingericht om volwaardige deelname aan de kennisintensieve samenleving te garanderen, zo luidde de instructie aan de auteurs. Een kennissamenleving is dan een maatschappij waarin kennis continu in ontwikkeling is en waarin studenten niet meer met een hoofd vol theorie worden afgeleverd, maar beschikken over oordeelsvermogen en vaardigheden om steeds nieuwe kennis te beoordelen, te vergaren en te ontwikkelen.

Pascal Wilhelm, universitair docent bij GW, zit dit jaar in de themaredactie. Hij selecteerde de auteurs - wetenschappers, beleidsmakers, onderwijsprofessionals - en redigeerde de stukken. `De opdracht aan de auteurs was: wees zo concreet mogelijk. Geen vage, abstracte betogen graag.' Een van de artikelen, zegt Wilhelm, gaat bijvoorbeeld over de digitale vaardigheden van studenten. Zij zijn daarmee doorgaans verder dan hun docent. Wilhelm: `De meeste onderwijsontwikkelaars zijn digital immigrants, waar studenten digital natives zijn.' Jos Fransen, onderwijskundig beleidsadviseur aan de Hogeschool Inholland schreef er een bijdrage over. De huidige generatie, zegt hij, heeft zichzelf heel gemotiveerd digitale vaardigheden aangeleerd in een virtuele wereld. Het onderwijs zou van die motivatie en leeromgeving gebruik moeten maken, maar heeft er onvoldoende zicht op om dit aan te pakken. Het belang van digitale hulpmiddelen bij het opleiden van nieuwe leraren is dus van groot belang.

Wilhelm merkt ook in zijn eigen onderwijs dat er een nieuwe generatie is. `Studenten gebruiken veel meer bronnen dan vroeger, via internet stuiten ze op van alles, en op méér dan louter wetenschappelijke bronnen. Dat is niet slecht, maar ze moeten wel leren om die bronnen te beoordelen en op waarde te schatten.' De kennissamenleving vraagt om een sterker oordeelsvermogen van de deelnemers. Wilhelm: `Dat zou je ook kunnen bereiken door studenten sterker te betrekken bij het onderzoek. Als ik college geef, heb ik soms de neiging om studenten resultaten voor te schotelen. Maar eigenlijk moeten ze gewoon met je meedoen, als gelijkwaardige. Dat schrijft ook Jos Beishuizen, hoogleraar onderwijskunde aan de VU, in zijn bijdrage, de docent zou zich afwisselend moeten opstellen als partner en coach van de student. Zo creëer je een community of learners en leren studenten het proces van kennisontwikkeling kennen.'

Anne Dijkstra is als lid van de centrale redactie tevreden met het resultaat. `Volgens mij is dit deel alweer beter dan het vorige. Er zit lijn in, het is meer coherent. We gaan zeker nog twee edities maken. Het thema van het volgende deel is al bekend: actief burgerschap in de kennissamenleving'.

Het derde jaarboek kennissamenleving is te bestellen via www.kennissamenleving.nl