Het aandeel buitenlandse studenten aan Nederlandse hogescholen bleef in 2008-2009 steken op 6,5 procent. Bij de universiteiten groeide hun aandeel van acht naar negen procent. Dat is vooral aan de Duitse studenten te danken.
Maastricht telt volgens de jongste Internationaliseringsmonitor nog steeds de meeste buitenlanders. Er stonden er vorig collegejaar 5077 ingeschreven, ruim 700 meer dan in 2007-2008. De Fontys Hogescholen (2861) en Saxion (2649) volgen op gepaste afstand. De nummers twee en drie bij de universiteiten zijn de TU Delft (2112) en de UvA (1848).
Verhoudingsgewijs hebben de kunstacademies Codarts (Rotterdam) en Gerrit Rietveld (Amsterdam) de meeste buitenlanders. Van hun totale studentenpopulatie komt bij hen 45,6 en 42,7 procent uit het buitenland, tegen 39,1 procent in Maastricht.
Onder de buitenlandse studenten die hun volledige opleiding in Nederland volgen, zijn bijna 19 duizend Duitser (42 procent), ruim tweeduizend meer dan in 2007-2008. Ver daaronder blijven de aantallen Chinezen (3460) en Belgen (2145), van wie er het afgelopen studiejaar 54 minder de grens overstaken.
Suriname zakte van de achtste naar de elfde plaats, want werd ingehaald door Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, nu alledrie met meer dan achthonderd studenten in het Nederlandse bekostigde hoger onderwijs.
Bij de universiteiten trekken de economische en de gedrag- & maatschappijwetenschappen de hoogste aantallen buitenlanders, maar zijn de landbouwwetenschappen relatief het populairst. In het hbo zijn dat zoals gezegd de kunstacademies, op afstand gevolgd door de domeinen landbouw, economie en gezondheidszorg.
Ondanks de groei zakte Nederland vergeleken met andere EU-landen van de negende naar de elfde plaats, al zijn de internationale data weinig betrouwbaar. Dat geldt, tot ergernis van internationaliseringsorganisatie Nuffic, nog sterker voor de cijfers over de uitgaande studentenmobiliteit die bovendien erg oud zijn. In 2005-2006 kwam het aandeel Nederlandse studenten dat zijn diploma in het buitenland haalt voor het eerst op 2,4 procent. Dat is nog steeds onder het EU-gemiddelde van ruim 2,8 procent.
Bij wijze van troost schrijven de onderzoekers dat veel uitgaande mobiliteit ook kan wijzen op tekortkomingen in het eigen onderwijsaanbod. Landen met een hoge score zijn er niet per se blij mee.
HOP, Hein Cuppen