Tussen hoofd en onderbuik

| Redactie

Bijzonder hoogleraar toegepaste functieleer bij de faculteit GW, Jan Maarten Schraagen, doet onderzoek naar de manier waarop mensen beoordelen of een artikel op Wikipedia betrouwbaar is. In zijn colleges behandelt hij de rol van menselijk falen bij grote ongelukken als de Titanic (1912) of de vliegramp op Tenerife (1977). Dezelfde cognitieve processen lijken daarbij een rol te spelen.

Hoofd en onderbuik, die twee gedeelten onderscheidt GW-hoogleraar toegepaste functieleer Jan Maarten Schraagen in onze hersenen. Of: een analytisch systeem (het hoofd) en een intuïtief systeem (de onderbuik). `Het analytische deel is zwak, dat is het eerste wat uitgaat onder tijdsdruk. Dan is het verleidelijk om op je intuïtie af te gaan. Experts gaan vaak zo te werk. Die herkennen situaties en hoeven nauwelijks na te denken. Maar als een situatie iets verandert, kunnen experts niet op bekende patronen vertrouwen.'

En dan kan het misgaan met grote gevolgen. Schraagen, die sinds 1986 bij TNO Human Factors werkt en voor een dag in de week aan de UT is aangesteld, spreekt volgende week zijn oratie uit. Hij betoogt dat bij grote ongevallen zoals de Titanic, de spaceshuttle Challenger (1986) en de vliegrampen op Tenerife en bij Überlingen (Zwitserland, 2002) te lang is vertrouwd op routine, terwijl uit de omgeving al signalen kwamen dat de situatie anders was dan normaal. `Vaak verdrinken deze relevante signalen in de ruis van allerlei irrelevante berichten.'

Schraagen licht het toe aan de hand van de Titanic-ramp. `Er stond druk op de kapitein om in een recordtijd in New York aan te komen. De kapitein wist dat er ijsbergen waren, en de koers was ook al verlegd, maar hij wist niet precies waar de ijsbergen zich bevonden. Er kwamen Morse-berichten binnen, maar die techniek was zo nieuw dat er nog geen procedure bestond hoe die berichten moesten worden verwerkt. Die kwamen dus niet allemaal bij de kapitein terecht. Was dat wel gebeurd, dan had deze het ijs gezien waar met hoge snelheid op af werd gekoerst.'

De uitdaging is volgens Schraagen om zwakke, afwijkende signalen uit de omgeving naar boven te trekken. `Routinematige experts leven op hun routine en doen dat ook heel goed, maar adaptieve experts kunnen nieuwe problemen herkennen en daar ook mee omgaan. In 99 procent van de gevallen gaat werken op routine goed, maar als het mis gaat, zijn de gevolgen groot. Het blijft dus belangrijk er effort in te steken.' Bij TNO doet Schraagen daarom onderzoek naar hoe zo veilig mogelijke (werk)omgevingen kunnen worden gecreëerd.

Wat opgaat voor scheepsrampen en vliegtuigcrashes geldt ook voor de operatiekamer. Daarover organiseert de vakgroep cognitieve psychologie en ergonomie een symposium rondom Schraagens oratie. `Ik was onlangs voor TNO bij de onderzeedienst van Defensie. Een commandant wordt daar getraind in een simulator totdat hij alle procedures kent. Daarna mag hij oefenen op een echt schip waarop ook drie beoordelaars meevaren. Als hij ook maar één fout maakt die de veiligheid van de bemanning in gevaar brengt, is het einde carrière. Er heerst een grote veiligheidscultuur, dat zie je nog niet in de medische wereld. Daar wordt niet getest met simulators, en medici dekken elkaar nog wel eens af. Kijk naar het MST waar een arts jarenlang foute diagnoses kon stellen. Ik pleit voor een grotere veiligheidscultuur in de medische wereld. Met TNO zijn we daarmee bezig en ook de UT kan een rol spelen. Technische geneeskunde heeft bijvoorbeeld veel simulators.'

In eerste instantie zal Schraagen zich op de UT echter bezighouden met een op het oog heel ander onderzoeksgebied: het vertrouwen in Wikipedia. `Hoe bekijken we of een artikel te vertrouwen is? Het gaat hier niet om hoogwaardige technologie en er vallen geen doden als het fout gaat, maar dezelfde cognitieve processen spelen een rol. Je kunt zeggen dat een artikel met veel referenties te vertrouwen moet zijn. Dat is dan een intuïtieve denkwijze. Als je de inhoud wat kritischer bekijkt, ben je analytisch bezig. We willen onderzoeken hoe je het onderscheid tussen hoofd en onderbuik behalve op rampen ook op Wikipedia kunt toepassen.'

Jan Maarten Schraagen spreekt zijn oratie getiteld Macht en onmacht der gewoonte uit op donderdag 17 september om 16.00 uur in het Amphitheater van de Vrijhof. Op 17 en 18 september wordt het symposium Human Factors in high-risk health care georganiseerd, zie http://www.gw.utwente.nl/cpe/symposium/.

(Foto: Arjan Reef)

Jan Maarten Schraagen (1960) studeerde op zijn achttiende een jaar filosofie, kunstgeschiedenis en Engels in Winnipeg (Canada) en begon in 1979 in Groningen aan de studies filosofie en psychologie. Hij studeerde in 1985 af in de functieleer, een deelgebied van de psychologie dat de algemene functies onderzoekt die bij elk mens aanwezig zijn (zoals geheugen, taal en het vermogen problemen op te lossen). In 1985 werkte hij een jaar aan Carnegie-Mellon University in Pittsburgh, in 1986 trad Schraagen in dienst van TNO. Hij promoveerde in 1994 aan de Universiteit van Amsterdam op de manier waarop experts problemen oplossen die buiten hun vakgebied liggen. Sinds september 2008 is Schraagen bijzonder hoogleraar toegepaste functieleer aan de faculteit GW.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.