| Tonnie Buitink. Foto: Gijs van Ouwerkerk |
Bert Groenman Het wordt een groot feest, er schijnen zes- tot zevenhonderd mensen te komen. Vind je het nog een beetje leuk, al die belangstelling?
`Weet je, ik vind het aan de ene kant helemaal geweldig. Maar ik heb ook een dubbelgevoel. Mijn man Bert waar ik al 38 jaar mee samen ben, heeft een ongeneeslijke vorm van kanker. Daar ben ik heel verdrietig over. Toen ik dat bericht begin januari van dit jaar hoorde stortte mijn wereld compleet in, dat mag je gerust weten. Ik heb hulp van een psycholoog gezocht en heb daar veel baat bij. Bert en ik kunnen er goed over praten. Daarnaast heb ik me ook afgevraagd of dit feest niet een beetje overdreven is, ik ben zelf mijn grootste criticaster. Maar ik heb die gedachte snel van me af gegooid. Iedereen gunt me dit en eerlijk is eerlijk: ik heb er altijd knetterhard voor gewerkt. Ik krijg van heinde en verre mailtjes, van oude bekenden, ze komen allemaal. Dus ik heb het maar losgelaten. Naarmate ik ouder word kan ik dat steeds beter.'
Buitink vertelt en passant dat hij reuma- en suikerpatiënt is. `Dat is heel vervelend, er gaat geen dag voorbij zonder pijn. Maar je hoort me niet zeuren.' Zijn moeder (87) belt hij bijna iedere dag. `Zij houdt mij met beide benen op de grond. Het gevoel voor humor heb ik van haar.'
Je staat anders bekend om een perfectionistisch persoon die de touwtjes strak in handen heeft.
`Dat klopt helemaal, ik ben streng voor mezelf en mijn medewerkers. Ik hou van eenheid en netheid, maar bij dit feest heb ik niets te vertellen. Ik heb er wel voor gezorgd dat mijn moeder wordt opgehaald. Mijn hele familie komt, al mijn neefjes en nichtjes. En zo zijn er meer van die dingetjes die goed geregeld moeten worden. Maar ik heb het volste vertrouwen in de mensen om mee heen. Ze zullen wel niet de draak met me steken.'
Ben je daar bang voor dan?
`Nee, maar ik voel wel een zekere spanning, die al maar toeneemt. Want dit is niet niks. Iedereen komt voor mij, dat is toch wel even wennen. Ik merk dat veel mensen binnen deze universiteit en ook daarbuiten zin hebben in een leuk feest. Het is het goede moment. Ik verwacht dat men lekker met elkaar in gesprek komt. Daar gaat het toch om? Dan slaagt zo'n feest. Ik vind het ontzettend leuk om mensen aan elkaar te koppelen, daar komt altijd iets moois uit voort. Ik zelf ben ook een enorme netwerker. En ook een koppelaar, dat klopt. Ik kan goed luisteren en me in anderen verplaatsen. Ongeduldig dat ben ik wel, dat is dan weer wat minder.'
Je kwam in 1969 bij de UT en je had in die veertig jaar allerlei baantjes. Je hebt je loopbaan op eigen kracht vorm gegeven. Hoe heb je het in hemelsnaam zo lang uitgehouden?
`Dat is niet zo moeilijk, alhoewel. Ik ben helemaal idolaat van de UT, ik hou van deze tent, ben er dolverliefd op. Ik ben hier opgegroeid toen de UT er nog niet was. Ik heb op dit landgoed gespeeld, ken de bomen en de paden. En daarnaast moet je natuurlijk in je werk geloven, kwaliteit leveren. Ik hou van openheid en gedrevenheid, verwacht dat ook van anderen. Ik ben voor alles een dienstverlener, zonder dat ik me volgzaam wil noemen. Maar ik pas me wel snel aan. Ik zeg pas `nee' als `ja' echt niet mogelijk is. Ik help graag mensen. En natuurlijk heb ik best de nodige krassen opgelopen.'
Buitink herinnert zich het moment, een jaar of twintig geleden, dat hij op een haar na ontslagen was door zijn baas van toen. `Ik had hem verteld dat een mooie plant water nodig heeft om te bloeien. Ik vond dat de campus droog stond. Dat vatte hij persoonlijk op en daarom wilde hij me kwijt, zei hij. Gelukkig ging dat feest niet door, maar het was wel een bittere teleurstelling.'
De campus is jouw domein. Hoe staat het met de droogte nu?
`Wat ik binnen de UT een beetje mis is het vertrouwde wij-gevoel. Nou, dat bereik je niet met die zwarte vlaggen bij de ingang van de campus. Het lijkt wel of we constant in de rouw zijn in plaats van dat we vrolijkheid uitstralen. Ook de nieuwe huisstijl vind ik niet mooi, maar ik maak me er niet zo druk om. Hooguit om al dat geld dat er in wordt gepompt. De zaak is uit balans. Je kunt niet met je ene hand heel veel geld uitgeven en met je andere hand bezuinigen. Dat kan je natuurlijk niet verkopen bij de mensen. Dat leidt tot onduidelijkheid. Ik denk dan: had een deel van al dat geld in studentactivisme gestopt, had fatsoenlijke potjes gemaakt waar studenten met projecten van kunnen profiteren. Al dat gebedel om geld, daar moeten we van af, je moet het in één keer goed regelen. Trek bijvoorbeeld een fatsoenlijk bedrag uit voor de UT-triathlon, die steeds meer nationale allure krijgt. Daarmee zet je de UT echt op de kaart.'
De triathlon is een project waar Buitink een voorname rol in speelt, net als in de Batavierenrace - zijn geesteskind -, of het Solar Team, dat hij nieuw leven in blies. `Anders hadden ze nu niet in Australië gezeten.'
`Er gebeurt best wel wat', vindt hij. `Maar er moet wel een tandje bij. Het is nog te veel ieder voor zich. We lopen met ons bureau ook tegen allerlei bureaucratisch gedoe aan binnen de UT en dat haalt de vaart er vaak uit. De kunst is juist om elkaar te stimuleren en niet af te remmen. Ik zeg: durf elkaar complimenten te geven, dat werkt veel lekkerder dan dat je voortdurend moppert over wat er allemaal niet goed gaat. Daarom ben ik blij met de nieuwe campusmanager, Pieter Binsbergen. Hij heeft gezag, kent de UT waar hij zelf studeerde (bestuurskunde, red.) op zijn duimpje en heeft entree bij het college van bestuur. Ik hoop dat hij de relatie met de gemeente kan verbeteren, althans op het vlak van grote evenementen. We zien hem als breekijzer, meer dan dat hij zich hoeft te bemoeien met vergunningen, of het veiligheidsbeleid, of het organiseren van grote feesten, want daar zijn wij goed in.'
Wat heb je hier de laatste tien jaar zien veranderen?
'Het is allemaal groter en massaler geworden. Minder persoonlijk ook, met zoveel mensen. Dat is nou eenmaal niet anders. Ik vind het wel jammer dat de regie rond zaken als logo en huisstijl van buitenaf wordt gevoerd. Waar blijft ons eigen initiatief, dat eigen elan, die eigen creativiteit, die alom geprezen ondernemendheid? Waar is die blauwe huiskleur gebleven? En daarbij, van mij hoeft de UT niet zo te groeien. Naar mijn idee kan deze universiteit zich alleen met kleinschaligheid onderscheiden en de top halen.'
Maar denk niet dat alles kommer en kwel is op de UT, bezweert hij. Integendeel. `De nieuwbouw voor MB, het Carré, de Cleanroom, de Horst, het ziet er allemaal fan-tas-tisch uit. Daar krijgt de UT een prachtig smoel van, let maar op.'
Buitink wil ook wel kwijt dat de recente opening van het academisch jaar voor het eerst sinds enige tijd weer een geslaagde happening was. `Ik hoorde dat van diverse kanten. Bij de dies, eind november gaan we ook iets nieuws doen, meer kan ik er nog niet over vertellen.' Ook de nieuwjaarsborrel krijgt wat hem betreft een nieuwe uitstraling. `Daar moet iedereen binnen deze gemeenschap op af komen.'
Ben je tevreden over jezelf als je terugkijkt?
`Best wel. Ik heb een hoop meegemaakt. Pieken, dalen. De vuurwerkramp in mei 2000 en het benefietconcert waar artiesten belangeloos aan meewerkten, daar denk ik dan meteen aan. Marco Borsato was de eerste die zich aanmeldde. Een hele warme man. Met hem heb ik een speciale band. Dat geldt ook voor topmuzikanten als Candy Dulfer en haar vader. Weet je, vele grootheden heb ik hierheen gehaald. Dat geeft veel voldoening. Je kent de mensen, ze kennen jou.'
En dat lintje natuurlijk, dat hij kort daarna kreeg opgespeld door burgemeester Mans van Enschede. Die ridderorde draagt hij ook in het dagelijks verkeer, dus niet alleen bij grote partijen. Zijn ogen worden vochtig. `Ik ben er apetrots op.'
Tonnie Buitink begon zijn loopbaan aan de UT op 1 oktober 1969. Hij had allerlei baantjes, variërend van buffetbediende, barkeeper, cultureel medewerker tot wat hij nu is: hoofd van het evenementenbureau van de UT, dat hij runt met zijn collega's Carla, Jelmer en Kaj. `Prachtmensen zijn het. Jong, gedreven, plooibaar, nieuwsgierig.' Hij was ook de eerste kroegbaas/bedrijfsleider van de Vestingbar (die deze week ook jubileert met een slotfeest op zaterdagavond). Over bijna alle grote evenementen op de campus - van popconcerten tot diesvieringen - voert hij geheel of deels de regie. `Ik werk puur vanuit mijn emotie, ben voortdurend aan het denken hoe ik alles tot in de finesses kan regelen. En twijfel, ja die slaat ook vaak toe. Doe ik het wel goed, gaat dit wel slagen en wat doen we als het niet lukt. Ik word wel `es moe van mezelf, ja. Ik heb de laatste jaren gelukkig geleerd om wat beter voor mezelf te zorgen.'
Ga je zelf nog iets zeggen tijdens het feest? Jou kennende ga je het niet drooghouden, traantechnisch.
Buitink pinkt een traan weg, er volgen er nog een stel. `Dit hoort bij me. Ik zit heel emotioneel in elkaar. Ik vind het fijn dat ik me bevind temidden van mensen die me dierbaar zijn. Ik heb al dertig keer een speechje opgeschreven, maar steeds weer verscheurd. Ik ga wel mensen bedanken, dat is zeker. En voor de rest laat ik gewoon m'n hart spreken.'
'Maak van het theehuis een replica'
Tonnie Buitink (1949) speelde al op het landgoed Drienerlo toen de UT er nog niet stond. Hij herinnert zich het befaamde theehuisje in de buurt waarvan later het carillon zou verrijzen. `Doodzonde dat dit karakteristieke pandje, waar een hele geschiedenis aan vastzit, is afgebroken. Dat moet rond 1962 zijn geweest toen hier de eerste spade de grond in ging. Waarom plaatsen we als UT niet een replica van het theehuisje op dezelfde plek? En als we dan toch bezig zijn: breek dan ook die monsterlijke stenen klomp (het curieuze kunstwerk tussen Bastille en Vrijhof, red.) af en breidt het terras uit. Dat komt ons bij grote evenementen als de Batavierenrace goed van pas.'
Foto van het theehuis, ontleend aan het UT-lustrumboek `Van landgoed tot kenniscampus', dat in november 2001 verscheen naar aanleiding van het veertigjarig bestaan van deze universiteit. Het pandje werd begin jaren zestig afgebroken. In de buurt van die plek staat het carillon, een geschenk van omliggende gemeenten bij de officiële opening van de UT in 1964. Als begindatum van de UT wordt overigens 1 december 1961 aangehouden.