Pas in 2030 voldoende vrouwelijke profs

| Redactie

Als het zo doorgaat, zal pas in het jaar 2030 één op de vier hoogleraren aan de Nederlandse universiteiten vrouw zijn. Nog altijd blijft Nederland ver achter bij de rest van Europa, blijkt uit de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2009. Alleen België, Cyprus, Luxemburg en Malta hebben verhoudingsgewijs minder vrouwelijke hoogleraren dan Nederland. Koploper in Europa is Ierland: daar is meer dan één o

Als het zo doorgaat, zal pas in het jaar 2030 één op de vier hoogleraren aan de Nederlandse universiteiten vrouw zijn. Nog altijd blijft Nederland ver achter bij de rest van Europa, blijkt uit de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2009.

Alleen België, Cyprus, Luxemburg en Malta hebben verhoudingsgewijs minder vrouwelijke hoogleraren dan Nederland. Koploper in Europa is Ierland: daar is meer dan één op de drie professoren van het vrouwelijk geslacht. De Europese landen hadden afgesproken dat in 2010 een kwart van de hoogleraren vrouw zou moeten zijn, maar Nederland gaat dat bij lange na niet halen en staat nu op 11,7 procent.

Tussen de universiteiten bestaan grote verschillen. De meeste vrouwelijke hoogleraren zitten in Leiden (16,3 procent) en Nijmegen (16,7 procent). De minste zijn te vinden aan de Technische Universiteit Eindhoven: slechts 1,6 procent van de professoren is daar vrouw. Bij de technische zusteruniversiteiten van Delft en Twente is dat respectievelijk 7 en 5,8 procent.

Vergeleken met 2003 zijn er aan alle universiteiten meer vrouwelijke hoogleraren komen werken. In Maastricht en Delft is hun aandeel meer dan verdubbeld en bij de Universiteit Utrecht, de Universiteit Twente, de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Groningen is het anderhalf keer hoger.

Universitair medische centra tellen gemiddeld iets meer vrouwelijke hoogleraren: 12,9 procent. Groningen scoort het best (15,9 procent) en Nijmegen het slechtst (9,0 procent). De meeste vrouwelijke hoogleraren zijn te vinden in de sectoren taal & cultuur (18,4 procent), gedrag & maatschappij (17,4 procent) en recht (16,4 procent). Onderaan staat weinig verrassend de sector techniek: 4,8 procent.

Op de carrièreladder is de stap van universitair docent naar universitair hoofddocent (UHD) voor vrouwen het moeilijkst. Sowieso is dat een lastige overstap, want er zijn veel minder universitair hoofddocenten dan universitair docenten. Er zijn zelfs meer professoren dan UHD’s. Maar verhoudingsgewijs komen mannen makkelijker hogerop: ze zitten in een ‘glazen lift’.

De vraag rijst of het verschil in carrièremogelijkheden van mannen en vrouwen nu wel of niet door seksisme kan worden verklaard. Of werken vrouwen wellicht vaker in deeltijd dan mannen en beperkt dat hun mogelijkheden? Inderdaad blijken ze vaker een parttime baan te hebben. Van de universitair docenten werkt 64 procent van de mannen voltijds, terwijl slechts 43 procent van de vrouwen dat doet. Onder universitair hoofddocenten gaat het om 71 tegen 49 procent en bij hoogleraren is de stand 61 om 52 procent. De schrijvers van de monitor hebben niet berekend in hoeverre dit de slechtere academische loopbaan van vrouwen verklaart. Ook maken ze op dit punt geen vergelijking met het buitenland.

Wel blijkt volgens hen uit onderzoek dat een sollicitatiecommissie bestaande uit mannen zelden een vrouw aanneemt: slechts in 7,5 procent van de gevallen. Als er twee vrouwen in de commissie zitten, rolt in 24 procent van de gevallen een vrouw uit de bus. De schrijvers van de monitor pleiten daarom voor een wettelijke bepaling dat in zo’n sollicitatiecommissie minstens twee vrouwen moeten zitten.

HOP, Bas Belleman

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.