‘Wetenschap is met je voeten in de klei staan’

| Enith Vlooswijk

‘Aan de borreltafel’ is een rubriek over wetenschap. Wetenschapsjournalist Enith Vlooswijk praat met én tekent over UT-onderzoekers, die vertellen over hun vakgebied en de misvattingen die hierover bestaan. In deze achtste aflevering: Maaike Endedijk, universitair hoofddocent bij de BMS-vakgroep Onderwijskunde.

‘Leren is voor veel mensen een vies woord’, weet onderwijskundige Maaike Endedijk. ‘Zeker in de zorg moeten mensen veel verplichte trainingen volgen om te bewijzen dat zij nog steeds bekwaam zijn en op de hoogte van nieuwe regelingen. Dat is niet per se verkeerd, maar leren kun je ook heel goed op andere manieren vormgeven.’

Endedijk onderzoekt hoe mensen gesteund en gestimuleerd kunnen worden om te blijven leren tijdens hun arbeidzame leven. Dat hoeft dus niet altijd te gebeuren via bijscholingen - sterker nog, zulke trainingen blijken maar heel beperkt effectief. ‘Ik houd me vooral bezig met informeel leren, het leren dat plaatsvindt bij het koffiezetapparaat.’

Werknemers in de zorg en het onderwijs vergaren volgens de onderzoeker bijna de helft van hun leerervaringen door sociale interactie: door goed te kijken naar het gedrag van collega’s en een praatje met ze te maken. Nog eens 45 procent van de nieuwe kennis en vaardigheden doen ze op door zelf te experimenteren of te zoeken op internet. Officiële werktrainingen zorgen maar voor een paar procent van alle leerervaringen rondom het werk.

Endedijk kijkt hoe ze ‘speldenprikken’ kan uitdelen om mensen te motiveren tot het delen van kennis, het stellen van vragen en het geven van feedback. Bijvoorbeeld door mensen een app te laten gebruiken waarmee ze tips kunnen krijgen van vakgenoten. Of door ze een button te laten dragen als teken dat ze openstaan voor feedback van collega’s. Verhalen over haar werk oogsten meestal positieve reacties aan de borreltafel, zegt ze. ‘Het misverstand is vaak dat ik als onderwijskundige onderzoek doe naar onderwijs en trainingen. Maar als ik uitleg wat ik precies doe, kan iedereen zich er wel wat bij voorstellen.’

Wel is het verband tussen wetenschap en de dagelijkse praktijk voor veel leken niet direct zichtbaar, merkt de onderzoeker. Wie veel autonomie op het werk geniet, zal zich bijvoorbeeld vaak makkelijker zelf ontwikkelen. Dat sommige werknemers juist liever wat meer structuur hebben, doet aan dat algemene principe niets af. Toch doen zulke uitzonderingen in de ogen van veel leken afbreuk aan algemene wetenschappelijke kennis. ‘Instellingen schuiven wetenschappelijke inzichten soms wat gemakkelijk terzijde, omdat het in hun ogen niet past binnen de organisatie. Ze zeggen bijvoorbeeld: er moet onderzoek komen in mijn organisatie, want dan weet ik hoe het hier werkt. Toch zien we dat veel mechanismen redelijk universeel zijn. Wij moeten die vertaling naar de praktijk dus helpen maken.’

Het idee dat wetenschap en praktijk twee verschillende dingen zijn, ziet ze ook bij studenten wel eens. ‘Die zeggen: ik wil stage lopen bij bedrijven, dan zie ik hoe het écht gaat. Maar je kunt ook in een onderzoeksproject meelopen waarbij we bij twintig bedrijven onderzoek doen, dan krijg je een veel breder beeld. Er is vaak een gevoel dat wetenschap iets is wat in een klein kamertje wordt gedaan door een wat oudere man met een geruit jasje aan. Terwijl de wetenschap, dat is echt met je voeten in de klei staan.’