Juichend weer terug

| Wiendelt Steenbergen

Hoogleraar Wiendelt Steenbergen blogt over werken op de bijna verlaten campus, gewoonten en de universiteit na corona. ‘Ik vermoed dat velen van ons inmiddels lijden aan professionele huidhonger.’

Onze campus is overgenomen door de stilte, af en toe prettig verstoord door scholeksters en andere vogels. De tulpen bij de koelcirkel zijn op zijn mooist. Zichtbare menselijke bedrijvigheid is voornamelijk die van schilders, vloerboeners, loodgieters, kabeltrekkers en andere werklieden die zorgen dat alles goed blijft ogen en werken. In de entreehallen van onze gebouwen wordt al geïmproviseerd voor de anderhalvemeteruniversiteit die we gaan worden: strepen op de grond, desinfecterende middelen, latex handschoenen. Iedere morgen betreed ik een doodstil gebouwencomplex met een dagvoorraad koffie en andere proviand. ‘Werkt hij dan niet thuis?’ vraagt u zich af? Vorige week inderdaad niet. Mijn laptop liet me in de steek, en dan houdt het thuiswerken op. Het kapot gaan van mijn laptop maakte me niet vrolijk, maar de tijdelijke terugkeer naar mijn kantoor was een welkome onderbreking in een lange periode van thuiswerken.

Pluimen

We zijn inmiddels aangeland in alweer week 6 van de sluiting van de universiteitsgebouwen. Wat hebben al die weken thuiswerken aan ervaringen en inzichten opgeleverd? Mij valt het volgende op.

De digitale infrastructuur van de UT, e-mail, Canvas, verbindingen met m- en p-schijf, en de meeste digitale vergadertools: het werkt meestal als een tierelier. Zelfs een toch acuut probleem als een kapotte laptop werd snel en goed opgelost. Dit is in verschillende mate de verdienste van onze ICT-medewerkers. Pluim 1.

Communicatie over roosters, toetsen en cijfers, het gaat allemaal gewoon door, terwijl de meeste medewerkers van onze onderwijslogistiek toch ook gewoon thuiswerken. Pluim 2.

Groundhog Day

Hoe heftig en hectisch het werk in deze crisistijd ook kan zijn, de dagen thuis lijken steeds meer op elkaar. Het is een variant van Groundhog Day, nog versterkt door het steevast staalblauwe weer. Normaal heeft voor mij iedere dag van de week een eigen sfeer en karakter: door de mensen die je spreekt, de wekelijkse bijeenkomsten, de locaties die je daarvoor bezoekt, de verwachte bezigheden in de avond, enzovoorts. Nu moet ik me af en toe bedenken welke dag het eigenlijk is. De werkelijkheid van het werk is platgeslagen op een beeldscherm, waarop alles en iedereen aan je voorbijtrekt: gezichten verschijnen in bepaalde combinaties, mensen die me voortdurend aanstaren, of juist net niet, of consequent helemaal niet. Ik moet mijn best doen om tijdens zo’n vergadering niet in te kakken, of te gaan schreeuwen als ik het gevoel heb dat mijn argumenten niet overkomen. Vaak blijkt mijn microfoon dan niet aan te staan. Je probeert elkaar wat verstandige dingen te zeggen, zwaait naar elkaar, en floep weg is iedereen. Even plassen en koffie halen, en dan herhaalt zich het ritueel met een nieuwe combinatie gezichten. Tussendoor probeer ik de exorbitante hoeveelheid mails te verwerken. Aan het eind van mijn thuiswerkdag constateer ik, redelijk afgedraaid, dat ik doelen die ik in mijn optimisme voor mezelf gesteld had, niet heb gehaald: veel gedaan, maar weinig opgeschoten.

De wekker gaat, een nieuwe dag. De lucht is strakblauw…

Terugvallen in oude gewoonten

In crisistijd klampen we ons vast aan zekerheden, komen karaktertrekken versterkt naar voren, of vallen we terug in oude gewoonten. Dit geldt voor personen, maar ook voor organisaties. Wie de teugels graag strak houdt trekt ze nu nog wat strakker, wie weinig vanuit vertrouwen werkt doet dat nu nog wat minder, wie anarchistisch is, is dat nu wat meer. En ik constateer dat communicatie over belangrijke zaken plotseling weer Nederlandstalig is. Dat is natuurlijk ook het makkelijkst. En vinden we dat diep in ons hartje toch niet gewoon het fijnst?

De universiteit na corona

Volgens premier Rutte is het een illusie dat de wereld van voor corona weer terugkeert. Zal dat ook opgaan voor onze universiteit? Kunnen we als universiteit ons voordeel doen met de ervaringen die we in deze tijd opdoen? Brengt het ons tot een kritische bezinning op onze normale manier van werken?

Ik denk dat dat maar heel beperkt het geval zal zijn. De eruptie van online-onderwijsactiviteiten levert vooral het inzicht op dat de mogelijkheden hiervan heel beperkt zijn: online college geven is, met alle goede wil bij zowel de aanbieders als de afnemers, gewoon vrij waardeloos. Maar de opgenomen colleges zijn mooi meegenomen: velen hebben hiermee de basis gelegd voor hun flipped classroom van de komende jaren. Ik zie de grootste kansen nog in het digitaal maken van het schriftelijke tentamen, niet op afstand af te nemen maar gewoon in een zaal: hoe eerder we van die stapels papieren tentamens afkomen, hoe beter.

Verder zou een bezinning goed zijn op het vele reizen voor de wetenschap, en op de vorm van onze wetenschappelijke conferenties.

Maar het belangrijkste inzicht is de grote waarde van het normale, persoonlijke contact, en van de normale werkomgeving. Ik vermoed dat velen van ons inmiddels lijden aan professionele huidhonger. En zelfs wie voor de crisis met tegenzin naar de universiteit ging, zal vermoedelijk straks juichend weer terugkeren.