Brommers kiek’n

| Femke Nijboer

Columnist Femke Nijboer ging met haar date naar de nieuwe Twentse film, De Beentjes van Sint Hildegard. Het liet haar niet onberoerd. ‘Wat is het belangrijk om verhalen voorgeschoteld te krijgen waarin je je eigen mensen ziet, je eigen taal hoort en je eigen identiteit herkent.’

Photo by: AJF

‘Pap, jullie MOETEN echt naar de bioscoop gaan om De Beentjes van Sint Hildegard te zien’, tetterde ik enthousiast door de telefoon, ‘dat vinden jullie ook prachtig’! De avond ervoor had ik de film gezien met mijn date. Hij is een Twentenaar en ik ben een Sallandse. We houden allebei van dialect, ook al spreken we het beide niet goed. Maar ook daten in het half-plat is na een triljoen Tinderdates een verademing: ‘Zu-w noar die film van Finkers goan? Joa, dat lik mie wah leuk. Koop ie de kaarties? Dan betaal ik de biertjes noe wel em’n.’

Het lijkt alsof daten in het Nederlands altijd langer duurt. Er wordt veel te veel gepraat en te weinig gezegd. Hoewel wij Tukkers het op een date al snel gezellig hebben met elkaar, suggereerde de film dat een Twents huwelijk wel andere koek was. De film gaat over de relatie tussen veearts Jan (Herman Finkers) en zijn vrouw Gedda, universitair docente Gedda (Johanna ter Steege) op de Universiteit Twente. Een man die dagelijks op boerderijen komt en in de viezigheid werkt en een vrouw die hoorcollege geeft in een LED-verlicht lokaal in het Ravelijn op de campus. Date-man en ik keken elkaar gniffelend aan. Dat konden wij wel zijn. Jan komt in een fase van zijn leven dat het hem tegen begint te staan dat zijn strabante vrouw alles voor hem bepaalt. Hij komt in een soort penopauze. Hij gaat 'op’n löp veur de leefde' en verzint in al zijn wanhoop een tamelijk briljant, maar evenzo ondoordacht, plan om een pauze te krijgen van zijn vrouw. Andere mensen hebben de film al heel mooi gerecenseerd (bv. door Coen van Zwol in de NRC). Ik wil het hebben over de populariteit en de impact van de film. Bioscopen zijn uitverkocht. De film is een echte kaskraker.

Onze zaal zat inderdaad propvol met mensen die normaal gesproken niet in een bioscoop te vinden zijn. Volgens mijn date hadden ze allemaal zo’n jack aan, ‘je weet wel, zo’n ANWB-jack’. Hij bedoelde het niet lullig, maar om me heen kijkend zag ik wat hij bedoelde. Dit was niet het gewoonlijke bioscooppubliek. Deze mensen kwamen niet zo vaak naar de film, maar deze film wilden ze wél zien. Er hing een verwachtingsvolle sfeer in de zaal en toen de film begon met een shot van de stad Enschede gonsde het ‘Oooooooooh!’ door de zaal. We keken met zijn allen een kleine twee uur naar beelden van onze eigen stad op het grote doek, van de parken waarin we liepen, van de campus waar ik ook lesgeef, van de wijk Roombeek waar de dochter van het stel woonde, van theehuis ’t Sprakel waar ik ook horendol word als ik er te lang zit. Ik merkte, het deed ons allen wat om ons Twente – want we waren ineens heel chauvinistisch in die zaal – zo terug te zien op het grote doek.

En Twents te horen, dat deed ook wat met ons! Er was gekozen voor een dialect dat, volgens mij, nog maar weinig mensen spreken. En jonge mensen spraken in de film Twents. Dat is helemaal ongebruikelijk. Anders dan in veel reclames – doorgaans bedacht in Amsterdam – spraken deze mensen écht plat en waren er geen acteurs die de klinkers wat langer en zichzelf wat belachelijker maakten. Hier was het Twents natuurlijk en de humor zoals we het van thuis kenden: kort, droog, subtiel en een tikje mystiek.

Mijn date en ik praatten nog lang na in Proeflokaal België en we spraken zowaar meer in dialect dan vóór de film. Het is allemaal al eloquenter gezegd door betere schrijvers dan ik, maar wat is het belangrijk om verhalen voorgeschoteld te krijgen waarin je je eigen mensen ziet, je eigen taal hoort en je eigen identiteit herkent. Dat doet mijns inziens wat met het moreel van een gemeenschap. Onze huidige complexe problemen, bijvoorbeeld klimaatverandering, vragen uiteraard om een globale aanpak, maar de mensen zullen altijd behoefte houden aan lokale verhalen. En hoewel ik een groot voorstander ben van het gebruik van Engels op de Universiteit Twente, pleit ik ook voor meer communicatie over het onderzoek en onderwijs in het plat, zodat we de verbinding met de regio houden en goodwill, excuus welwillendheid, blijven houden.

Ik bedacht zelfs, ergens na het derde biertje, dat ik dit jaar op de Zwarte Cross een lezing in het plat zou gaan geven. Note to self: ‘Don’t drink and send promises in emails to the Marketing and Communication department of the university’. Helaas gingen we geen ‘brommers kiek’n’ en dus kon ik de volgende ochtend redelijk vroeg mijn ouders bellen om hen aan te moedigen naar de film over de onderdrukte man te gaan. ‘Het lijkt me echt wat voor jullie’, zei ik tegen mijn vader die opnam. Mijn vader zei: ‘Lik mie wah leuk, moar ik mut het em’n an oen’ moe vroag’n’.  Ik dacht even dat ik Herman Finkers aan de lijn had.