De ondernemende universiteit

| Dick Meijer

Stel je voor: een kleine Nederlandse autofabrikant heeft zijn modellen voor kleinere auto’s volledig vernieuwd, maar ondanks de door de fabriek geroemde kwaliteit kan hij zijn marktaandeel in dit segment niet vasthouden. Desalniettemin hoopt de fabrikant op groei in het luxe-auto-segment door de verkoop in het buitenland te vergroten: de thuismarkt wordt voor al zijn modellen als een krimpmarkt beoordeeld.

Om de internationale verkoop te bevorderen, staat de marketingafdeling niet alleen op vele buitenlandse beurzen, maar heeft zij ook een aankoop-stimuleringsregeling bedacht. Potentiële buitenlandse kopers die onvoldoende geld voor de aanschaf van een luxe auto en/of voor de jaarlijkse gebruikskosten hebben, kunnen een subsidie van het bedrijf krijgen. Die bedraagt veelal de helft of zelfs de gehele aanschafprijs, en, indien nodig, worden ook alle gebruikskosten jaarlijks vergoed. Het idee is eenvoudig en doeltreffend: subsidie op de aanschafprijs vloeit grotendeels weer terug naar de fabrikant, zodat de marginale (extra) productiekosten er grotendeels mee gedekt zijn, maar de omzet stijgt wel wat!

De leiding van het bedrijf neemt het plan enthousiast over, spreekt van een uniek concept met een ongekend vliegwieleffect op de (internationale) verkoop. En, wie weet, trekt de binnenlandse vraag ook aan, als ze merken dat het product in het buitenland wordt gewaardeerd. Het management stelt een groot deel van de beperkte reserves van het bedrijf beschikbaar voor de subsidie. Deels gaat dat bedrag (verdiend met de huidige, matig lopende verkoop) naar de dealers die er buitenlandse kopers mee moeten lokken. Slagen ze daarin, dan krijgen ze volgend jaar weer subsidie, misschien wel meer.

Ondertussen klagen de kopers van de instapmodellen over de kwaliteit van de auto’s en de monteurs over het vele onderhoud met te weinig personeel in de werkplaats. Potentiële buitenlandse autokopers zoeken de markt af om met een zo klein mogelijke eigen bijdrage een auto te kopen. Als dat lukt bij de Nederlandse fabrikant, willen ze wel toehappen, maar anders zoeken ze wel een beter aanbod.

Je gelooft het niet, maar dit naïeve verdienmodel is toch echt door de “ondernemende universiteit” bedacht voor “de verkoop” van onze masteropleidingen. Er wordt zo al jaren bijna 8 ton in het beurzenprogramma gestoken en, omdat het tot nu toe niet echt zoden aan de dijk zet (terwijl het toch zo’n goed idee is), wordt die inspanning verdriedubbeld ten koste van onderwijs en onderzoek. Weet iemand nog wat de rol van de UT in de samenleving moet zijn?

De analogie met de autofabrikant gaat helaas in grote mate op: het verlies van marktaandeel in de bachelor opleidingen (in een binnenlandse groeimarkt van techniekstudenten!), het gebrek aan waardering van de studenten, de werkbelasting van het personeel en de perverse prikkels voor de faculteiten om internationale studenten te kopen, enz.

En dat met een CvB dat bedrijfsmatig werken en ondernemendheid van de daken schreeuwt.

Dick Meijer,

namens de PvdUT in de Uraad