Spotlight

SKO: eigen onderwijs onder de loep

| Rense Kuipers

Zestien UT-docenten doen ruim een jaar lang onderzoek naar hun onderwijs om een Senior Kwalificatie Onderwijs (SKO) te behalen. Inmiddels zijn ze halverwege in het pilottraject. Twee docenten vertellen over hun ervaring.

Professor Mark van der Meijde (Geophysics, ITC) is een van de deelnemers. Hij doceert binnen de nieuwe master Spatial Engineering die in september start. Hij noemt het SKO-traject een andere manier van bezig zijn met onderwijs. ‘En dat bevalt erg goed. Het kost zeker tijd, maar dat neem ik voor lief.’

SKO, wat is het?

  • SKO staat voor Senior Kwalificatie Onderwijs
  • Het is een pilotproject, geïnitieerd door het Centre of Expertise in Learning and Teaching (CELT), HR en CEE (4TU.-Centre for Engineering Education)
  • De initiatiefnemers noemen het een logisch vervolg op de BKO (Basiskwalificatie Onderwijs)
  • In oktober 2016 startten zestien UT-docenten met dit project
  • Doel is om onderzoek te doen naar innovatieve onderwijsmethodes
  • In december 2017 presenteren de deelnemende docenten hun resultaten

Geen goed of fout

Van der Meijde werkt in zijn lessen met zogeheten wicked problems. ‘Vraagstukken waar geen standaardvraag of -antwoord op te formuleren is. En er is geen absoluut goed of fout. Nee, er is absoluut een middenweg’, aldus de ITC-hoogleraar. Vervolgt: ‘Het is de bedoeling dat studenten in groepen aan de slag gaan met maatschappelijk relevante problemen benadert vanuit wetenschappelijk oogpunt.’ Hij neemt de aardbevingen in de provincie Groningen als voorbeeldcasus. ‘De standpunten staan lijnrecht tegenover elkaar binnen deze discussie. Dat is interessant, want er zijn tal van stakeholders. Studenten krijgen een standpunt toegewezen en kunnen al snel bepalen welke belanghebbenden het meeste invloed hebben op hun eigen perspectief.

Vervolgens inventariseren en analyseren de studenten de probleemstellingen vanuit de stakeholders. Dat kan een bewoner zijn, een Tweede Kamerlid of iemand van het Staatstoezicht op de Mijnen. De probleemstellingen presenteren ze. Daarna beantwoorden ze vragen en gaan ze in debat met medestudenten. Aan het einde van de rit, maken de studenten een publieke uiting zoals een ingezonden brief, reclamespotje of abri poster.

Anders beoordelen

Deze werkwijze vraagt om een andere manier van beoordelen. ‘Ik wil de vraag aan welke eindtermen je als student moet voldoen uit het onderwijs halen.’ En daar zitten volgens de hoogleraar nog wat haken en ogen aan. ‘Elke student heeft zijn eigen perspectief en invulling. Hoe garandeer je bijvoorbeeld dat iemand echt iets geleerd heeft op het gebied van spatial engineering? En is dat wel op masterniveau? Projectonderwijs telt sowieso niet meer dan vijftig procent mee voor het eindcijfer. De beoordeling is gericht op het proces en op de persoonlijke verdieping en brede groepsinzet. Daarom telt iemands bijdrage op verschillende onderdelen in de eindbeoordeling mee. Dat dwingt studenten zich van begin tot eind volledig in te zetten.’

Op de foto: een van de SKO-bijeenkomsten.

‘Weg met de zesjesmentaliteit’

Frans de Jongh, longfysioloog en docent bij technische geneeskunde, ziet in de SKO een kans om zijn manier van lesgeven eens goed tegen het licht te houden. ‘Eigenlijk doe ik alles vanuit intuïtie. Dat waarderen studenten’, zegt de docent van het jaar 2013, ‘maar ik heb nooit écht gekeken naar les- en onderwijsmethoden.'

De grootste uitdaging? ‘Studenten motiveren. In de master levert dat geen problemen op. Studenten werken hard en zijn bij wijze van spreken boos als een college uitvalt. In de bachelor is het omgekeerd’, vervolgt De Jongh. ‘Studenten komen net van de middelbare school en moeten wennen aan een intensieve opleiding als technische geneeskunde. In de praktijk kauw je als docent veel voor, terwijl je eigenlijk wilt dat studenten uit zichzelf beziggaan. Je zou graag willen dat ze eager zijn om te leren. Weg met de zesjesmentaliteit en het proberen te voldoen aan het bindend studieadvies. Daar wil ik verandering in brengen.’

Om dat te bereiken, borduurt De Jongh voort op de opzet van het Twents Onderwijsmodel (TOM). ‘Met name in zelfstudie en werkcolleges zitten motiverende elementen. Daarnaast wil ik studenten uitdagen door de lesstof zodanig aan te bieden, dat ze leren problemen op verschillende manieren aan te vliegen en dat ze ook nog beloond worden voor die inzet.’

Spervuur aan vragen

Flip the classroom, student driven learning, peer instruction. Er zijn nogal wat modetermen waarmee De Jonghs onderwijsmethode veel overeenkomsten vertoont. En hij is zeker niet de enige UT-docent die het toepast. In de praktijk komt het neer op het volgende: studenten gaan tijdens thuisstudie aan de slag met een aantal vragen. Tijdens het werkcollege bespreekt De Jongh de vragen en antwoorden. Mochten veel studenten het antwoord goed hebben, dan valt er niet veel te discussiëren. Is er verdeeldheid, dan is er reden om dieper in te gaan op de stof. ‘Ik begin altijd met een spervuur aan vragen. Een fout antwoord is beter dan geen antwoord. Ook pak ik er graag voorbeelden uit de actualiteit en de praktijk bij. Een college moet zo interactief mogelijk zijn, dan slaan studenten de stof beter op.’

Hoe ‘academisch’ is dat, je onderwijs op deze manier onder de loep nemen? ‘Onderzoek naar onderwijs impliceert dat je uitkomstmaten definieert waarmee je kunt evalueren of en hoe een nieuw ontworpen methode beter werkt dan de huidige methodes’, stelt De Jongh. ‘En beter kan op veel vlakken duiden, bijvoorbeeld meer enthousiaste studenten, hogere cijfers, minder werk voor docenten, noem maar op.’ Hij is nog niet volledig uit de beloning voor studenten die hij aan deze methode wil koppelen. Maar dat hoeft ook nog niet direct. Het SKO-traject loopt nog tot december. De module die De Jongh coördineert – en waarin hij deze methode volledig wil toepassen – start in november.

Het doel

Wat willen de betrokkenen bereiken met de SKO? Coördinator Marije Hahnen (CELT) wil geïnspireerde docenten afleveren. ‘Die vinden dat het SKO-traject hen écht wat heeft gebracht. Dat ze zijn gegroeid in het vormgeven van hun eigen onderwijs. Dat ze geïnspireerd zijn geraakt én dat ze een voorbeeld zijn geworden voor hun naaste collega’s, want het is goed om als docent kritisch te kijken naar je eigen onderwijs en naar dat van anderen.’

‘Het SKO-project heeft een idealistische, maar ook een praktische kant’, vindt Van der Meijde. ‘Het is een leuke manier om anders bezig te zijn met onderwijs en het is aardig om te zien dat het impact heeft. Dat mijn eigen, kleine stukje onderwijsinnovatie nu gebruikt wordt in een geheel masterprogramma, is best bijzonder.’ De Jongh sluit zich daarbij aan. ‘Als studenten het leuk vinden om lessen te volgen, haal je er als docent ook veel voldoening uit. En die enthousiaste studenten worden uiteindelijk ook de beste onderzoekers. Ik hoop dat de SKO een middel is om andere docenten ook geïnspireerd te krijgen.’