Er was een tijd dat het eenvoudig was. Je had een doctor, en die had een proefschrift geschreven. Dat proefschrift was een boek, verdedigd in een aula, tegenover een commissie die soms streng keek en soms vriendelijk knikte. Wie die rite de passage doorstond, mocht zich doctor noemen.
Het was een helder systeem. Misschien niet perfect, maar wel begrijpelijk. Die helderheid begint te verdwijnen.
Het Nederlandse hoger onderwijs heeft zich de afgelopen decennia ontwikkeld langs meerdere assen. Universiteiten bleven in het domein van fundamenteel en disciplinair onderzoek. Hogescholen groeiden uit tot instellingen waar praktijkgericht onderzoek een steeds belangrijkere rol speelt. En ergens daartussen ontstonden hybride vormen: onderzoekers die niet alleen publiceren, maar ook ontwerpen, implementeren en veranderen.
In dat landschap verschijnt nu een nieuwe figuur, in pilot: de Professional Doctorate.
Het idee erachter is sympathiek. Wie jarenlang aan praktijkgericht onderzoek, vaak diep verankerd in een beroepscontext, werkt, levert immers ook een serieuze intellectuele prestatie. Waarom zou die niet erkend worden met een formele titel? Waarom zou alleen het klassieke proefschrift toegang geven tot het predicaat ‘doctor’?
De vraag is terecht. Maar het antwoord is minder eenvoudig dan het lijkt.
Want terwijl deze nieuwe titel wordt geïntroduceerd, bestaat er al een andere, minder bekende route: de Engineering Doctorate, vaak afgekort als EngD. Deze Nederlandse vinding, voortgekomen uit de vroegere PDEng (voorheen ook de TWAIO-opleiding), is al jaren ingebed in technische universiteiten zoals bij ons in Twente, maar ook bij Delft University of Technology, Wageningen University & Research (meer recentelijk) en Eindhoven University of Technology. Het is een traject dat nadrukkelijk niet draait om een proefschrift, maar om het ontwerpen en implementeren van oplossingen in een industriële context.
We hebben dus al een alternatief voor de klassieke PhD. En nu introduceren we nóg een variant.
Op zichzelf hoeft dat geen probleem te zijn. Verschillende vormen van kennis vragen om verschillende vormen van opleiding en erkenning. In rugby is dat eigenlijk niet anders. Een team heeft snelheid nodig, kracht, strategie en spelinzicht. Maar het helpt wel als iedereen nog weet wie de scrum-half is en wie de prop.
De vraag is: begrijpen we nog hoe deze doctorale trajecten zich tot elkaar verhouden?
Wat betekent ‘doctor’ als het zowel kan verwijzen naar een proefschrift, een ontwerpprestatie als een praktijkinnovatie? Hoe leggen we dat uit aan internationale partners, aan werkgevers, aan studenten die zich oriënteren op hun toekomst? En belangrijker nog: hoe voorkomen we dat deze titels niet zozeer verschillende vormen van excellentie representeren, maar verschillende treden op één en dezelfde ladder worden?
Daar zit een ongemakkelijke spanning.
Het hbo heeft zijn kracht altijd gevonden in nabijheid tot de praktijk. In het opleiden van professionals die niet alleen begrijpen, maar ook doen. In het verbinden van kennis aan context. Dat profiel is de afgelopen jaren verrijkt met onderzoek, en terecht. Maar de vraag is of die ontwikkeling gebaat is bij het overnemen van academische symbolen, of juist bij het verder uitbouwen van een eigen identiteit.
Een titel kan erkenning geven. Maar een titel kan ook verwachtingen creëren die niet passen bij het onderliggende traject.
Wellicht ligt de oplossing niet in het toevoegen van nog een label, maar in het scherper articuleren van wat we al hebben. De PhD als drager van wetenschappelijke kennisontwikkeling. De EngD als ontwerper in complexe technische systemen. En het praktijkgerichte onderzoek van hogescholen als een derde, even waardevolle pijler, maar dan met een eigen, onderscheidende vorm van erkenning die niet leunt op bestaande terminologie.
Want uiteindelijk gaat het niet om de titel. Het gaat om de helderheid van het systeem waarin die titel betekenis krijgt. En precies daar begint het te schuren.
Of, om het nog scherper te zeggen: Nederland lijkt niet zozeer een nieuw type doctor te introduceren, maar een nieuw type onduidelijkheid.