Voor het eerst in jaren hield ik echt vakantie. En voor het eerst in jaren las ik daarom weer een boek. Het nadeel van lezen is dat je gaat denken zoals de schrijver. Dus begon ik het jaar met de gecombineerde gedachtenmuziek van Lale Gül en Hanna Bervoets: woede met zelfreflectie, die meteen weer ondergesneeuwd raakte door twijfel. De drang om helder te zijn én de angst dat helderheid simplificatie is.
Dus ging ik maar observeren.
Een ding in Het Ding (alleen met veel fantasie een sneeuwpop), witte 3D-effecten op bijna elke zwarte letter van de gebouwnamen en échte sneeuwpoppen van minstens tweeënhalve meter hoog vormden het decor van de campus. Wat bijna niet opviel: hoe uitzonderlijk goed diezelfde campus begaanbaar was. Overal heb ik de lichte angst om met dit weer het asfalt te koppen. Overal, behalve hier.
Daarom dit eerbetoon aan de kampioenen van Krinkels. Die met twee kuub zout ervoor zorgen dat de UT de enige plek is waar ik met trots mijn fietshelmloosheid kan bewaren. Die tegelijk mijn Radix-sticker van het torentje van Drienerlo hebben gekrabd en er straks nog veel meer mogen verwijderen zodra we van het langlauf- naar het schaatsseizoen gaan. En die ons gras niet groener maken, maar wel heel frequent maaien. Ook al is dat nu niet te zien.
Het contrast met de nieuwjaarsbijeenkomst van afgelopen week kon nauwelijks groter zijn. Daar werden de meest zichtbare onderzoekers en studenten nóg zichtbaarder, met de UT in de media-prijzen. Wetenschappers en studenten die terecht lof krijgen voor hun zichtbaarheid, impact en mooie verhalen. Maar terwijl ik tijdens een lunchwandeling over onzichtbaar gemaaid gras ploeterde en een iglo probeerde binnen te kruipen, wrong het. Dit was niet ‘mild positief.’
Terwijl ik verder ploeterde, dacht ik aan alle bijna onzichtbare medewerkers. Aan de baliemedewerker met elke ochtend dezelfde verwelkomende glimlach. Aan de schoonmakers die Ravelijn zo glad achterlaten dat je op sokken beter glijdt dan buiten op schoenen. Aan de roostermakers, die TimeEdit misschien ook een kloteprogramma vinden. Aan IT’ers, postverwerkers, technici. En vooral aan al die mensen van wie ik niet eens weet dát ze bestaan. Die ik pas echt zou opmerken als ze er één dag niet zijn.
Is er een prijs voor hen? Een moment van publieke erkenning? Of zijn we zo gewend geraakt aan een werkende campus dat we vergeten dat hij gemaakt wordt?
Ik zou hen ook zo’n ongemakkelijke prijsuitreiking gunnen. Geen citaties, geen media-impact, geen mooie verhalen, maar erkenning voor werk dat ervoor zorgt dat al die andere prestaties überhaupt mogelijk zijn.
Misschien is het een universitaire dagdroom. Tot die tijd blijf ik observeren. Zoals een lezer dat doet: niet kijkend naar wie het hardst spreekt, maar naar wie het verhaal werkelijk draagt.