‘De jongens staan centraal’

| Jelle Posthuma

We werken bijna iedere dag samen, maar hoe goed kennen we de collega’s nu echt? U-Today is benieuwd naar de persoonlijke verhalen achter het ondersteunend- en beheerspersoneel en zet ze in deze rubriek ‘On the spot’. Aan het woord is Marco Eekel (49), werkbegeleider bij De Versnelling.

Photo by: RIKKERT HARINK

Niet iedereen zal De Versnelling kennen. Wat doen jullie precies?

‘De Versnelling is een fietswerkplaats op de campus. We werken met pak ‘m beet tien jongens die mijn collega en ik begeleiden. De werkplaats functioneert als dagbesteding voor mensen met een beperking. Het is een mooie plek waar ze stagelopen en het vak van fietsenmaker leren. Een aantal van de jongens die bij ons stage liep, werkt hier nog steeds. Behalve het uitlezen van elektrische fietsen, doen we eigenlijk alle mogelijke reparaties.’

Hoelang werk je al op de campus?

‘Ik ben opgeleid als verpleegkundige. Twaalf jaar geleden begon ik bij De Versnelling in het centrum van Enschede. Een paar jaar later startten we een tweede vestiging op de campus waar ik één dag in de week hielp. We merkten dat de campusvestiging veel beter liep dan het pand in de stad. Daar zaten we soms om tien uur ’s ochtends al aan de koffie, wachtend op nieuwe klanten. Daarom is afgelopen jaar  besloten om alle activiteit naar de campus te verplaatsen. Hier is veel vraag naar onze reparaties. Logisch ook: iedere student heeft immers een fiets.’

Leuk werk?

‘Absoluut. Natuurlijk, als de jongens om drie uur naar huis gaan, slaken mijn collega en ik soms een diepe zucht, maar het is ontzettend leuk werk. Op de campus is veel te doen, maar werkdruk vermijden we te allen tijde. Dat zou averechts uitpakken. Het is en blijft een dagbesteding waar de jongens centraal staan.’

Welk defect komen jullie het meest tegen?

‘Voornamelijk kapotte banden en kapotte remmen. Studenten plakken zelf geen band, heb ik gemerkt. En de fietsen waarop ze rijden, hebben vaak hun beste tijd gehad. Ook internationale studenten weten ons steeds beter te vinden. Onze medewerkers vinden het erg leuk en interessant om ze in het Engels te helpen.’

Iets heel anders. Verliefd, verloofd, getrouwd?

‘Ik ben 19 jaar getrouwd en we hebben samen drie kinderen. Mijn vrouw werkt ook in de zorg. Toen ik nog een baan met onregelmatige diensten had, stond de auto soms ronkend klaar: mijn vrouw kwam terug en ik kon gelijk door naar mijn werk. Gelukkig heb ik bij De Versnelling veel meer regelmaat. Ik werk vier vaste dagen in de week.’

Zelf ook een fietsfanaat?

‘Zeker. Als klein jochie van zes vond ik fietsen al interessant. Het mooie van een fiets is de eenvoudige techniek, wat sleutelen gemakkelijk maakt. Met auto’s heb ik bijvoorbeeld veel minder. Ik probeer onze vakantie naar Frankrijk altijd zo in te plannen dat we een aantal Touretappes kunnen meepakken.’

Ben je een hondenmens of een kattenmens?

‘Een kattenmens. Wij hebben er twee. Ik heb eigenlijk een hekel aan honden; katten zijn veel zelfstandiger. Op mijn werk moet ik al genoeg verzorgen.’

Wat is je favoriete boek/favoriete film?

‘Ik vind de trilogie van In de Ban van de Ring erg mooi, zowel het boek als de film. Verder lees en bekijk ik veel over de Tweede Wereldoorlog. Op dit moment lees ik een boek over Hanns Rauter, de hoogste SS’er in Nederland. De Tweede Wereldoorlog heeft mij altijd gefascineerd en dan met name hoe één iemand zoiets heeft kunnen veroorzaken. Op mijn nachtkastje ligt ook lichte kost, zoals de biografie van Bram Tankink, een Nederlandse cultwielrenner.’

Waar heb je een hekel aan?

‘Aan mensen die anderen niet in hun waarde laten. Mensen die te snel oordelen en altijd een vlugge mening klaar hebben. Ik denk dat het goed is om eerst na te denken, voordat je een oordeel velt. Dat geldt ook voor het oordeel over de jongens die bij ons werken. Het is een kwetsbare groep. Bij onze vestiging in de stad kregen we nog weleens te maken met onbegrip van klanten, want het kan soms iets langer duren. Dat valt op de campus gelukkig erg mee.’

Ik drink wijn of bier?

‘Geen van beide. Ik ben een geheelonthouder.’

Het gesprek wordt onderbroken. Een van de jongens roept vanuit de werkplaats. ‘Geheel onthouder ben je niet, anders had je ook geen drie kinderen gehad!’

Eekel lacht. ‘Tja, zo gaat dat soms hier. Het is iedere dag weer anders. We hebben weleens de campussecurity op de stoep gehad. Hadden de jongens houten wapens gezaagd om buiten oorlogje te spelen. Een aantal buitenlandse studenten schrok zich dood en heeft de campusbeveiliging gebeld.’

Tot slot. Als je collegevoorzitter zou zijn voor één dag, wat zou je veranderen?

‘Misschien zou ik de campus toegankelijker maken voor mensen die slecht ter been zijn. We hebben een jongen die niet zelfstandig van zijn taxi naar de werkplaats kan komen, omdat het plein onbereikbaar is voor auto’s. Ook zou ik in gesprek willen met de campusbewoners. Een van onze medewerkers stond af en toe voor de deur van de werkplaats, met een koptelefoon op zijn hoofd, mee te zingen met de muziek. Daar is door de bovenburen een keer wat van gezegd. Dat begrijp ik ook wel. De studenten willen natuurlijk rustig studeren. Nu doet hij het op de atletiekbaan en heeft niemand er last van. Ik wil maar zeggen: het is goed om daarover met elkaar in gesprek te gaan, want wij horen ook thuis op de campus.'