News

Vijf opleidingen geneeskunde blijven selecteren aan de poort

Drie opleidingen geneeskunde zijn helemaal overgestapt op loting, omdat bepaalde groepen anders systematisch minder kans maken. De andere opleidingen kennen het probleem, maar doen er niets aan. ‘Een rechtszaak is zeker niet kansloos.’

Het nieuws in het kort

- Vijf opleidingen geneeskunde selecteren studenten; vier ervan werken met een persoonlijkheidstoets.

- Deskundigen vegen er de vloer mee aan. De opleidingen onderbouwen hun manier van selecteren niet.

- Selectie aan de poort van opleidingen schaadt de kansengelijkheid.

- Dat is een vorm van indirecte discriminatie.

- Juristen en het College voor de Rechten van de Mens vermoeden dat dit verboden is.

- De Inspectie van het Onderwijs grijpt niet in.

Honderden zeventienjarige scholieren die zich aanmelden bij de studie geneeskunde moeten bewijzen dat ze uit het juiste hout gesneden zijn om arts te worden en krijgen allerlei meerkeuzevragen. Bijvoorbeeld: ‘Samen met een aantal studenten werk je aan een opdracht en jullie schrijven ieder een deel van het verslag. Je bent niet tevreden over de kwaliteit van wat de anderen hebben geschreven en vindt dat dit beter kan. Wat doe je?’

De kandidaten kunnen uit vier antwoorden kiezen: A) Je biedt aan de eindredactie te doen en steekt veel tijd in het aanpassen van de stukken van de anderen. B) Je zegt er niets van. Jullie worden toch individueel beoordeeld voor deze opdracht. C) Je bespreekt het met je medestudenten en legt uit waar je denkt dat het beter kan. D) Je moppert erover en zorgt ervoor dat je de volgende keer met andere studenten in een groepje zit.

Welk antwoord wil de opleiding horen? Met welk antwoord word je, een jaar of zeven later, een betere arts? Mogen toekomstige artsen mopperen of niet?

Toelating

Selectie aan de poort van het hoger onderwijs ligt de laatste jaren onder een vergrootglas. De Inspectie van het Onderwijs heeft felle kritiek geuit: selectieprocedures leiden tot kansenongelijkheid en de criteria zijn vaak zwak onderbouwd.

Bij geneeskunde kennen ze die kritiek ook. Drie van de acht opleidingen zijn inmiddels overgestapt op loting in plaats van selectie. Bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Amsterdam kunnen kandidaten zich aanmelden en daarna is het een kwestie van geluk of ze mogen beginnen. Bij de Radboud Universiteit Nijmegen willen ze dat kandidaten eerst enige informatie doornemen over het artsenberoep en de opleiding. Wie dat heeft gedaan, mag meedoen aan de loting. Zesjesscholier of tienenjager, iedereen met het juiste vakkenpakket maakt evenveel kans.

De Universiteit Utrecht hanteert een mengvorm. De opleiding geneeskunde laat daar 238 eerstejaars via loting toe: 80 procent van het totaal. De andere 59 worden geselecteerd op basis van kennis, motivatie en een persoonlijkheidstoets (een zogeheten ‘non-cognitieve’ toets).

De overige vier opleidingen loten dus niet. Alle vier testen ze de cognitieve capaciteiten van de kandidaten, bijvoorbeeld door lesstof en colleges aan te bieden waarover de kandidaten een tentamen moeten maken. De Erasmus Universiteit Rotterdam houdt het daarbij. De Vrije Universiteit Amsterdam, Universiteit Maastricht en Universiteit Leiden willen daarnaast (net als Utrecht) de persoonlijkheid van de kandidaten achterhalen.

Persoonlijkheid

Waar zijn de selecterende opleidingen naar op zoek? De Vrije Universiteit wil van de kandidaat weten wat hem/haar bijzonder maakt: doe je vrijwilligerswerk, speel je goed viool, bouw je zelf een robot, heb je een bijbaan bij de huisartsenpraktijk voor het inplannen van afspraken? Pizza’s bezorgen legt geen gewicht in de schaal, staat er expliciet. Ook een baantje als teamleider in de supermarkt helpt je niet verder. Hier bovenop komt een toets voor ‘sociaal inzicht’, oftewel een persoonlijkheidstoets. De meerkeuzevraag aan het begin van dit artikel, over samenwerking, komt van de VU.

Ook Maastricht wil de ‘onderscheidende kwaliteiten’ van de kandidaten kennen. De Limburgse opleiding wil niet alleen weten of ze capabel genoeg zijn, maar ook of ze over ‘adequate (inter)persoonlijke kwaliteiten’ beschikken. Overigens wil Maastricht desgevraagd niet van een persoonlijkheidstoets spreken, want: ‘In onze optiek is er geen eenduidig antwoord op de vraag wat de ideale persoonlijkheid voor een arts is.’

In Utrecht speelt onder meer de motivatie van kandidaten een rol in de selectie. Ook wil de opleiding dat de aspirant-studenten aanleg hebben voor competenties ‘die van belang zijn voor een professionele werkhouding van de aankomende arts’.

Leiden ten slotte zoekt studenten die ‘capable, caring en curious’ zijn. De kandidaten maken in de eerste ronde onder meer een ‘studievaardighedentoets’, voorheen een persoonlijkheidstoets genoemd, waar je je volgens de voorlichting niet op kunt voorbereiden: ‘Het gaat erom hoe je bent en hoe je op bepaalde studiesituaties reageert.’

Karakter in kaart?

Kan het eigenlijk wel? Is het mogelijk om de persoonlijkheid van zeventienjarige scholieren met een test in kaart te brengen, zodat je kunt zeggen wie een goede arts wordt en wie niet?

De Leidse opleiding geneeskunde wil er weinig over kwijt. ‘Veel kandidaten stellen vragen over de betrouwbaarheid van de persoonlijkheidstest’, staat in een standaardmail aan afgewezen kandidaten die persbureau HOP heeft ingezien. ‘Hier kunnen we kort over zijn: deze is goed betrouwbaar. Het is niet goed mogelijk om ‘sociaal wenselijke’ antwoorden te geven of je zelf beter voor te doen dan je bent.’

Lang niet iedereen vindt dat overtuigend. Artsen en psychologen bij wie we ons licht opsteken, trekken hun wenkbrauwen op als ze horen over de persoonlijkheidstoetsen. Ze hebben er meteen twijfels bij.

Ook het Handboek selectie hoger onderwijs, waar universiteitenvereniging UNL naar verwijst, klinkt niet enthousiast: ‘De betrouwbaarheid en validiteit van persoonlijkheidsvragenlijsten is niet gunstig in de context van een selectieprocedure.’ Bovendien kunnen ze de ‘diversiteit van verschillende typen studenten’ aantasten.

Geschiedenis

Vroeger gold er voor geneeskunde een gewogen loting: met hoge examencijfers maakte je meer kans, maar verder was de toelating een kwestie van geluk. Later kregen leerlingen met een gemiddelde van een acht of hoger automatisch toegang tot de opleiding, maar voor de rest gold nog steeds een (landelijke) loting.

Die loting voelde soms onrechtvaardig. Zouden motivatie en aanleg geen rol moeten spelen? Wie wil je aan je ziekbed: iemand die altijd al dokter wilde worden of iemand die maar toevallig is ingeloot? Het is bovendien zonde als een zwakke student na een jaar afhaakt, terwijl een geschiktere kandidaat niet eens mocht beginnen.

Daarom kregen opleidingen de kans om studenten eigenhandig te selecteren. Eerst mocht dat voor de helft van alle studenten (2000/2001), later werd de loting helemaal afgeschaft en moesten ze alle aspirant-studenten selecteren (2017/2018). Hoe ze het deden, mochten ze in principe zelf weten, zolang ze minimaal twee criteria gebruikten.

Pudding

Maar kun je zinvol selecteren op persoonlijkheid? Klaas Visser betwijfelt het. Hij was jarenlang de expert op het gebied van studiesucces aan de faculteit Psychologie van de Universiteit van Amsterdam.

‘Die aspirant-student denkt maar
één ding: wat willen ze horen?’

Als deskundige-van-buiten gaf Visser een keer commentaar op een persoonlijkheidstoets van de Vrije Universiteit. Daarin stond een vraag over een (fictieve) docent die iets vervelends tegen de studenten zei: hoe zou je antwoorden? Visser: ‘Het ‘goede’ antwoord klonk sociaal, maar er zat ook een antwoord bij dat nogal assertief was. De VU maakte in die tijd reclame dat ze graag assertieve studenten wilde werven, maar de maker van de test vond kennelijk dat ze niet té assertief moesten zijn. Ik zei: jongens, dit is allemaal pudding.’

Visser vindt zulke selectietoetsen een verspilling van tijd en geld, zegt hij. En je krijgt ook geen eerlijke antwoorden. ‘Die aspirant-student denkt helemaal niet: dit zou ik doen. Die denkt maar één ding: wat willen ze van mij horen?’

Niet alleen de persoonlijkheidstoetsen vindt hij dubieus, maar ook de toetsen op kennis en inzicht. Het grote probleem is dat je erop voorbereid kunt worden, zegt Visser. En sommige kandidaten maken dan meer kans dan andere.

Mensen uit bevoorrechte milieus hebben volgens hem altijd een voordeel. ‘Een bevriende hoogleraar vertelde me ooit dat hij samen met zijn vrouw, die ook hoogleraar is, zijn kleindochter een week lang had gedrild om haar voor te bereiden op zo’n selectietoets. Toen dacht ik: niet iedereen heeft een grootvader en grootmoeder die die stof van voor tot achter kennen.’

Krijg je er uiteindelijk betere artsen van? Visser denkt van niet: ‘Je selecteert veel high achievers, mensen die enorm hun best doen om binnen te komen. Ik heb weleens artsen horen zeggen: daardoor krijgen we veel studenten die gevoelig zijn voor burn-out. Moeten we dit wel willen? Moeten we niet een populatie hebben die wat diverser in elkaar zit? Het gaat niet eens alleen om achtergrond, maar ook om interesse. Stel je voor dat alle studenten geneeskunde het liefst kinderarts willen worden, terwijl we straks vooral ouderenartsen nodig hebben.’

Visser: ‘Ik ben weleens bij het ministerie van Onderwijs geweest, daar heb ik een vurig pleidooi gehouden dat ze op zijn minst aan die opleidingen moeten vragen: waar baseert u uw methode op?’ Maar de instellingen hoeven geen verantwoording af te leggen.

Groningen

De opleiding geneeskunde in Groningen was in 2025 de eerste die weer overging op loten. Het is een ongewogen loting: hoge eindexamencijfers geven je geen voordeel. Met het juiste diploma maakt iedereen evenveel kans.

‘We weten dat er een onbewust vooroordeel in het selectiesysteem schuilt’, vertelt Marieke Schuurmans, sinds november 2023 prodecaan ‘onderwijs en opleiden’ van het UMC Groningen. ‘We zagen dat onze studenten steeds meer op elkaar gingen lijken. We wisten dus ook dat we veel scholieren misliepen.’

Schuurmans: ‘We kregen vooral veel kandidaten die binnen de lijntjes kleurden. Hun ouders konden veel geld uitgeven aan een cursus ter voorbereiding op de selectietoetsen. We snappen allemaal dat dat niet werkt. Dan krijg je geen goede representatie van de Nederlandse samenleving.’

‘Zegt de motivatie van een zeventienjarige scholier iets 
over de motivatie van een volwassen arts?’

Als bijvoorbeeld een van je ouders zelf arts is, onderstreept ze, dan maak je veel meer kans om door de selectie te komen. Maar in principe zijn veel kandidaten geschikt om arts te worden, zegt Schuurmans. Het zijn er meer dan je kunt plaatsen. Je zou graag ‘kansrijke’ kandidaten selecteren, maar wat is kansrijk precies?

‘Je kunt naar studiesucces kijken: welke studenten maken de grootste kans op een diploma? Maar is studiesucces de belangrijkste uitkomst van de opleiding? Je leidt op voor het medische veld’, zegt ze. ‘Hoe weten we dat iemand uiteindelijk een succesvol arts zal zijn?’ Ook Schuurmans noemt het probleem van burn-out onder studenten en jonge artsen. ‘Een goede dokter is ook iemand die zich goed voelt in zijn werk’, zegt ze.

Natuurlijk kun je allerlei dingen verzinnen om op te selecteren, zegt Schuurmans, maar hoe goed je het ook bedoelt, je weet gewoon niet precies of je zinnig bezig bent. ‘Neem motivatie. Zelfs als je die zou kunnen meten, hoe weet je dan dat de motivatie van een zeventienjarige scholier iets zegt over de motivatie van een volwassen arts? Je hebt geen idee waar die motivatie op gebaseerd is.’

Wel is het duidelijk dat selectie kansenongelijkheid veroorzaakt. Daarom nam Groningen het besluit ermee te stoppen en weer te gaan loten. Het stuitte niet of nauwelijks op weerstand, zegt Schuurmans. ‘Natuurlijk vroeg ook weleens iemand: krijgen wij hier in Groningen dan de dombo’s? Omgekeerd zeggen artsen van mijn generatie: ik ben zo blij dat wij dit gaan doen, ik zou zelf nooit door de selectie zijn gekomen.’

Alleen maar loten heeft overigens niet haar voorkeur. Schuurmans: ‘Liefst zou ik studieplekken reserveren speciaal voor kandidaten uit de regio. We hebben moeite om hier voldoende zorgprofessionals te behouden. Van de geneeskundestudenten vertrekt een groot deel naar de Randstad, terwijl studenten uit deze regio hier vaker blijven wonen en werken. Verder zou ik graag een aantal studieplaatsen reserveren voor studenten met een ondervertegenwoordigde achtergrond. Wij hebben bijvoorbeeld maar weinig studenten van niet-westerse afkomst of studenten zonder hoogopgeleide ouders.’

Eigen houtje

De Inspectie van het Onderwijs waarschuwt tegen zelfoverschatting van selectieopleidingen. ‘We hebben gezien dat ze veelal met de beste intenties hun selectieprocedures opstellen en hanteren’, schreef toenmalig inspecteur-generaal Alida Oppers in 2023. ‘Maar die procedures bedenkt iedereen wel op eigen houtje en naar eigen inzicht, en zonder consensus over hoe eerlijke en effectieve selectie eruitziet.’

De selecterende opleidingen geneeskunde willen hun onderbouwing niet prijsgeven. Leiden verwijst door naar het bureau dat de persoonlijkheidstest maakt: NOA van de Vrije Universiteit.

NOA

Dit bureau maakt voor allerlei instanties zulke testen. Het NOA legt desgevraagd uit hoe zorgvuldig de toetsen in elkaar zitten, maar kaatst de bal naar de opleidingen terug. Uit de persoonlijkheidstest rolt weliswaar een profiel, maar geen oordeel.

Je kunt de persoonlijkheidstesten bekritiseren. Maar zelfs als je gelooft dat die toetsen accuraat zijn, dan nog is de vraag wat je in een selectieprocedure met de uitkomst moet doen. Het gaat hier niet over het opsporen van kandidaten met bijvoorbeeld psychische stoornissen die hen ronduit ongeschikt maken voor het vak. Het gaat om het beoordelen en rangschikken van honderden vaak minderjarige kandidaten met wie eigenlijk weinig mis is. Soms worden ze een jaar later, na een tweede poging, alsnog toegelaten.

Meertaligheid

Intussen leidt de huidige selectie echt tot ongelijke kansen, heeft socioloog Lianne Mulder aangetoond. Zij kreeg toegang tot harde data van studiekiezers en studenten en schreef aan de Vrije Universiteit Amsterdam een proefschrift over dit onderwerp, waarin ze de kansenongelijkheid laat zien vanaf de basisschool via de middelbare school en de opleiding geneeskunde tot en met de medische specialisatie.

Je hebt de standaardeisen voor geneeskunde: een vwo-diploma met bepaalde exacte vakken. De ongelijkheid begint er al mee dat sommige groepen jongeren (bijvoorbeeld met een niet-Europese migratieachtergrond of van het platteland) een lager schooladvies krijgen en dus nooit naar het vwo gaan, zegt Mulder.

Als je eenmaal dat vwo-diploma hebt en geneeskunde wilt studeren, komt dus de selectie. Daarin kijken de selectieopleidingen naar eigenschappen die eigenlijk al voldoende zijn bewezen met het vwo-diploma (de cognitieve capaciteiten) of bijvoorbeeld naar die boterzachte persoonlijkheidskenmerken.

En dat vergroot de verschillen. Rijke ouders, zegt ook Mulder, kunnen bijvoorbeeld makkelijk dure cursussen betalen die hun kinderen voorbereiden op de selectie van geneeskunde. Kinderen uit bepaalde sociale kringen, bijvoorbeeld met artsen als ouders, dringen alleen al daardoor sneller tot de opleiding door.

Ze is niet eens per se tegen selectie, maar het zou volgens haar veel beter kunnen. ‘In de selectie mis ik eigenschappen die aantoonbaar bijdragen aan de inclusiviteit en toegankelijkheid van de zorg.’

Ze noemt meertaligheid. Er zijn genoeg patiënten die maar moeilijk Nederlands of Engels spreken. Voor hen zou het heel fijn zijn als de arts toevallig hun taal spreekt. Mulder: ‘Soms worden hun kinderen gebruikt als tolk, wat voor die kinderen natuurlijk superschadelijk kan zijn en daarom ook helemaal niet is toegestaan. Je zal maar tegen je moeder moeten zeggen dat ze kanker heeft.’ Meertalige coassistenten wordt trouwens ook geregeld gevraagd om te tolken.

Meertaligheid van artsen verbetert dus de zorg. Je zou er makkelijk op kunnen selecteren. ‘Meertaligheid is niet afhankelijk van je geboorteland of waar je ouders vandaan komen. Streektalen als Fries, Limburgs, Zeeuws en Twents zijn ook talen, net als Gebarentaal. Kandidaten kunnen ook een extra taal leren, als ze willen.’

‘In de selectie mis ik eigenschappen die
bijdragen 
aan inclusiviteit en toegankelijkheid’

Om de ongelijkheid te bestrijden, is loten volgens haar niet genoeg. Er is sprake van een jarenlange scheefgroei in de opleidingen geneeskunde, onderstreept ze. ‘Zelfs als alle opleidingen geneeskunde gaan loten zal de uiteindelijke populatie van artsen en medisch specialisten nooit een afspiegeling van de samenleving worden.’

Meer diversiteit onder artsen zou voor een betere spreiding van artsen over het land zorgen, legt ze uit. ‘Kandidaten met een lagere sociaaleconomische achtergrond gaan vaker werken in een regio met patiënten die ook zo’n achtergrond hebben. De huisartsentekorten zijn het grootst in de regio’s waar al 25 jaar de minste studenten geneeskunde vandaan komen.’

Mulder is niet de enige die het probleem ziet: ook bijvoorbeeld Rotterdams onderzoek toont kansenongelijkheid aan. Daar keken ze naar het studiesucces van eerstejaars. Een selectie op cv, leestoets of rekentoets maakte weinig verschil. Alleen een proefstudeertoets (kandidaten krijgen lesstof en maken een tentamen) voorspelde iets over het studiesucces, maar dit ‘benadeelde kandidaten met een migratieachtergrond en met een buitenlands diploma’.

Achtergrond

Uiteraard komen er wel studenten binnen uit minder kansrijke groepen. Aicha bijvoorbeeld. Zij is een islamitische studente die bij haar opleiding de selectieprocedure ter discussie probeerde te stellen.

Aicha: ‘Ik was vanaf 4-vwo bezig met mijn cijfers en mijn cv. Ik heb hulp gehad van een Marokkaanse meid die ik kende en die ook geneeskunde studeerde. Dat heeft heel erg geholpen. Weet je hoe belangrijk dat is? Zij kon me vertellen wat je moet invullen bij je motivatie, wat je op je cv moet zetten en meer. Je hebt heel veel inside information nodig om de selectie goed te doorlopen. Ik heb ook echt keihard mijn best gedaan om een 8-plus te staan. Examentrainingen kon ik niet betalen.’

Eenmaal op de opleiding probeerde ze de selectie aan te kaarten. ‘Dat riep enorme weerstand op.’ Want degenen die de selectie vormgeven begrijpen weinig van kansengelijkheid, zegt ze. ‘Ze houden zich voornamelijk met geneeskunde bezig en doen de selectie erbij. Zij realiseren zich niet of nauwelijks dat kwaliteit op vele manieren te definiëren valt. Ze denken bijvoorbeeld dat het oneerlijk is om iemands achtergrond mee te wegen.’

 ‘Ik ben een vrouw van kleur,
waarom zouden ze naar mij luisteren?’

Meertaligheid als selectiecriterium, waar Lianne Mulder voor pleit, heeft Aicha ook weleens geopperd. ‘Dat werd weggelachen. Ze zeiden: wie gaat al die mensen toetsen, daar hebben we geen geld voor… Het is heel vreemd. In de geneeskunde moet je altijd evidence-based te werk gaan, maar in de selectie laten ze dat idee varen.’

Je moet je voorstellen, zegt ze, wie er tegenover haar zitten: witte, bevoorrechte mensen. Ze krijgt het gevoel dat white fragility een rol speelt, de kleinzerigheid van witte mensen die geen kritiek van gekleurde mensen willen krijgen. ‘Niemand weet wat de beste manier van selecteren is, maar dat willen ze van mij niet horen. Ik ben een vrouw van kleur, waarom zouden ze naar mij luisteren? Ze doen alsof zij redelijk zijn. Dan zeggen ze bijvoorbeeld: we passen iets aan en we evalueren over een aantal jaar of het heeft gewerkt. Maar je kunt nu al zien aankomen dat het weinig helpt en dan zijn we dus weer jaren verder.’

Discriminatie

Even samenvatten: selectie van studenten benadeelt bepaalde groepen en de opleidingen kunnen niet aantonen dat deze selectie tot betere artsen leidt. Toch gaan de opleidingen ermee door. Mag dat eigenlijk wel? Is dat geen discriminatie?

Geen enkele selectiecommissie verzet zich tegen de komst van migrantenkinderen of kinderen van laagopgeleide ouders. Maar in selectieprocedures kan wel sprake zijn van ‘indirecte’ discriminatie, zegt hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjens. ‘Ook zonder je specifiek op een bepaalde minderheid te richten kun je bepaalde groepen buitenspel zetten.’ Dat moet dan wel statistisch aangetoond zijn, zegt hij erbij.

Zo denkt ook jurist en onderwijsexpert Peter Kwikkers erover. ‘Opleidingen mogen selecteren’, onderstreept hij. ‘Maar ze mogen daarbij niet discrimineren. Ik vind eigenlijk alle extra selectiecriteria dubieus, want het discriminatoir effect ligt op de loer.’

Er zou een juridisch proces voor nodig zijn om zulke (indirecte) discriminatie aan te tonen, zegt Kwikkers. ‘Het zijn wel flinke drempels. Je hebt eerst iemand nodig die niet door de selectie komt en die zal vermoedelijk tot aan het Europese Hof in Luxemburg moeten procederen.’

College voor de Rechten van de Mens

We leggen de kwestie voor aan het College voor de Rechten van de Mens, waar mensen discriminatie aan de kaak kunnen stellen. Opleidingen mogen in principe selecteren, benadrukt senior beleidsadviseur Guido Terpstra, en soms kan een indirect onderscheid daarbij ook gerechtvaardigd zijn. ‘Als je bijvoorbeeld voor een talenstudie een bepaald Nederlands taalniveau eist, dan sluit je mensen uit zonder dat taalniveau.’

Maar selecteren is niet makkelijk, voegt hij eraan toe. ‘Omdat het risico op discriminatie er is, hebben opleidingen de verantwoordelijkheid om het effect van selectie in de gaten te houden. Trekken we meer mannen of juist meer vrouwen dan als we blind zouden loten? Meer of juist minder studenten met een migratieachtergrond?’

Als er een vertekening optreedt, moeten ze daar een rechtvaardiging voor hebben, zegt Terpstra. ‘En die toetsen wij heel streng.’ Opleidingen zijn verplicht om de selectie goed te onderbouwen, maar hij vermoedt dat dit vaak niet gebeurt.

De onderwijsinstelling moet bewijzen
d
at zij niet discrimineert’

Een afgewezen kandidaat kan dus naar het College voor de Rechten van de Mens stappen. Terpstra: ‘Dat kun je doen als je denkt: door het selectieproces maak ik ten onrechte minder kans. Je kunt ook een rechtszaak aanspannen.’ (Anders dan de rechter kan het college alleen adviezen geven.)

Je kunt in zo’n procedure de bewijslast omkeren, zegt Terpstra. ‘Als een kandidaat aannemelijk kan maken dat een selectiemethode op groepsniveau mensen van bijvoorbeeld een specifieke etnische achtergrond minder kans geeft, dan is het aan de onderwijsinstelling om te bewijzen dat zij niet discrimineert.’ De universiteit moet dan objectief aantonen dat de selectiemethode echt tot betere studenten en artsen leidt en bovendien geen groepen uitsluit.

Zo’n zaak wordt wel makkelijker voor afgewezen kandidaten, nu sommige opleidingen loten en andere nog altijd selecteren, meent Terpstra. Daardoor komen de overgebleven selectieopleidingen meer in de positie dat ze hun standpunt moeten verdedigen. ‘Zo’n zaak is zeker niet kansloos.’

Terpstra: ‘Je zou ook kunnen denken dat de Inspectie van het Onderwijs hier een bepaalde rol in heeft.’

Inspectie

Dat is inderdaad de vraag: waarom doet de inspectie niets? Kunnen de inspecteurs niet optreden tegen selectie die de kansengelijkheid schaadt en weinig voorspellende waarde heeft? Nee, is het korte antwoord, want de inspectie ontvangt geen ‘signalen’ dat er iets verkeerd gaat.

‘We doen bij de Inspectie van het Onderwijs twee dingen’, zegt inspecteur Susanne Rijken. ‘We houden toezicht op het stelsel. We hebben bijvoorbeeld een rapport over selectie geschreven. We hebben daarin gezegd: de kansengelijkheid wordt vaak niet meegenomen bij de inrichting van een selectieprocedure. Daarnaast werken we ‘signaalgericht’. Dus als er een signaal binnenkomt dat ergens studenten op een onwettige wijze worden geselecteerd, dan kunnen we onderzoek doen en er iets van vinden.’

Bij rechtstreeks discriminerende selectie kan de inspectie sowieso optreden. Zo was er in 2024 een opleiding die vrouwen de voorkeur wilde geven, omdat er al zoveel mannen in het vakgebied waren. Dat mocht niet, oordeelde de inspectie toen, want dan maak je verboden onderscheid op grond van geslacht. Maar zo helder is het bijna nooit, zegt Rijken. Opleidingen hebben veel vrijheid bij selectie.

Ziet de inspectie het probleem van indirecte discriminatie dan niet? ‘Zolang die niet keihard aantoonbaar is, kunnen we daar niet op handhaven’, zegt Rijken. En volgens haar is die nog niet aangetoond.

Maar studenten van niet-westerse afkomst en studenten uit achterstandsmilieus komen er minder makkelijk doorheen. Als er geen sprake is van discriminatie, waar ligt het dan aan? Ligt het soms aan henzelf?

Dat wil Rijken ook niet hebben gezegd. Ze wijst nogmaals op het onderscheid: de inspectie kan scherp oordelen over het stelsel, terwijl ze toch niet ingrijpt bij afzonderlijke opleidingen. Voor dat laatste moet er eerst een ‘signaal’ komen dat het echt verkeerd gaat. Tot die tijd mogen de opleidingen ermee doorgaan.

Is er iets mis met haar persoonlijkheid?

Lisa is een gymnasiast die hoge cijfers haalt. Vroeger zou zij met open armen worden ontvangen bij de opleiding geneeskunde: iedereen met een gemiddeld rapportcijfer van een acht of hoger werd toegelaten.

Lisa maakte een capaciteitentest en een persoonlijkheidstest. Die capaciteitentest (een soort intelligentietest) ging wel goed, maar voor de persoonlijkheidstest scoorde ze onverwachts laag. Was er soms iets mis met haar persoonlijkheid?

Lisa: ‘Daar heb ik heel lang over nagedacht. Je gaat aan jezelf twijfelen. Je vraagt je af wat er fout is aan jezelf. Ik heb ook een mailtje gestuurd: kan ik inzage krijgen? Maar ze geven er niets over vrij.’

Het blijft door haar hoofd malen. ‘Ben ik soms te bescheiden geweest? Misschien sta ik nog niet zo sterk in mijn schoenen, ik ben ook nog best wel jong.’ Ze was, op het moment van het interview, zeventien jaar.

En ja, de afwijzing deed pijn. ‘Ik was met mijn moeder in de stad toen de mail kwam. Ik moest meteen huilen, ik raakte overstuur.’ In het gesprek blijft ze maar redenen bedenken waar het aan kan liggen. Ze moest zichzelf blijven vertellen dat ze een goede dokter zou zijn: ‘Ik ben een harde werker en ben goed in de sociale omgang.’

Een jaar later is Lisa alsnog toegelaten, zonder trainingen of bijlessen te hebben gevolgd.

Egyptische vader, Nederlandse moeder

Salma is een moslimstudent die twee keer is afgewezen voor opleidingen geneeskunde: een keer in Leiden en een keer bij de Universiteit van Amsterdam. Ze heeft een Egyptische vader en een Nederlandse moeder. Ze woonde tot in haar dertiende buiten Nederland. ‘Toen ik hier kwam, kon ik met moeite in het Nederlands een gesprek voeren.’

Toch bleek school geen probleem. ‘Het vwo ging goed. In de derde en vierde zat ik elke dag urenlang aan mijn huiswerk. In de vijfde had ik een dipje, maar verder haalde ik goede cijfers. Ik heb veel van mijn ouders meegekregen.’ Zij zijn allebei hoogopgeleid.

Salma spreekt inmiddels vlekkeloos Nederlands. Op de persoonlijkheidstoets scoorde ze hoog, omdat ze er naar eigen zeggen doorheen kon kijken. ‘Ik wist precies wat ze wilden horen.’ Toch ging het ergens in de selectie mis.

Ook in Amsterdam, want daar was toen nog geen loting. De aspirant-studenten kregen onder meer vragen over hun kennis van het medische nieuws, bijvoorbeeld over vapen en dopingcontroles – kennelijk bedoeld om hun interesse in het onderwerp te meten. Daarop kon je je voorbereiden. ‘Sommigen hadden bundels met al het medische nieuws van het afgelopen jaar’, vertelt Salma.

Ze heeft het geen derde keer geprobeerd, maar is iets anders gaan studeren.

Reactie van de opleidingen geneeskunde

In een gezamenlijke reactie zeggen de opleidingen niets over het gevaar van indirecte discriminatie of de onderbouwing van de selectieprocedures. Bij de afwegingen van de universiteiten spelen ‘uitgangspunten als kansengelijkheid en passendheid bij het profiel van de opleiding’ een rol, zeggen ze. Hieronder de volledige tekst.

‘Het aantal middelbare scholieren dat geneeskunde wil gaan studeren is veel groter dan het aantal beschikbare plekken. Het aantal aanmeldingen ligt per universiteit minimaal drie keer zo hoog als het aantal plekken, dus veel studenten worden jaarlijks teleurgesteld. Om te bepalen wie er toegelaten worden, kan gebruik worden gemaakt van loting of selectie. De verschillende universiteiten hebben elk hun eigen profiel en maken op basis daarvan een afweging hoe zij de toelatingsprocedure willen inrichten. Daarbij spelen uitgangspunten als kansengelijkheid en passendheid bij het profiel van de opleiding een rol. Zowel loting als selectie hebben voor- en nadelen en die ervaringen worden door de opleidingen met elkaar gedeeld. Sommige universiteiten zijn helemaal overgegaan op ongewogen loting, andere op een combinatie van loting en selectie en enkele universiteiten hebben een selectieprocedure. Het is goed dat scholieren de keus hebben om voor de opleiding te kiezen die het beste past. De toelatingsmethodes worden elk jaar gemonitord, uitgebreid geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. Veel studenten kiezen bewust voor selectie omdat ze graag wat meer grip op hun toelating willen hebben. En er zijn studenten die loting veel fijner vinden.

Via UMCNL werken de geneeskundefaculteiten aan een jaarlijks geactualiseerde website waarop de informatie over de acht opleidingen overzichtelijk wordt gepresenteerd. Scholieren krijgen hier op één plek een betrouwbaar en toegankelijk beeld van de studie geneeskunde, de verschillen tussen opleidingen en de toelatingsprocedures. Per faculteit wordt toegelicht wat de opleiding kenmerkt en hoe de bijbehorende toelatingsprocedure eruitziet. UMCNL faciliteert de ontwikkeling van dit portaal, waarbij de faculteiten verantwoordelijk zijn voor de inhoud.’

De namen van Aicha, Salma en Lisa zijn gefingeerd in verband met hun privacy.

Dit artikel is mede tot stand gekomen dankzij een werkbeurs Onderwijsjournalistiek van Stichting Onderwijsfonds COCMA.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.