‘Buitenpromovendus moet ook voldoen aan kwaliteitseisen’

| Rik Visschedijk

Rector Thom Palstra legt momenteel met drie collega-rectoren de laatste hand aan een leidraad voor het promoveren aan Nederlandse universiteiten. Het stuk waarborgt de promotiebegeleiding, -opleiding en -beoordeling.

Photo by: Arjan Reef

Directe aanleiding voor de totstandkoming van de leidraad is de commotie rondom het promotiefabriek-schandaal. Het radioprogramma Argos berichtte vorig jaar dat bij de Tilburgse faculteit Geesteswetenschappen veel promovendi zonder aanstelling bij de universiteit hun doctoraatsbul halen en dat de onderzoekskwaliteit discutabel is. Volgens het radioprogramma verdienen vakgroepen aan elke promotie: de overheid legt voor iedere doctorstitel ongeveer tachtig mille op tafel.

Vier rectoren werken nu aan een leidraad voor promoveren voor het rectorencollege van de VSNU. Naast Thom Palstra zijn dat de rectoren van de Radboud Universiteit, de Vrije Universiteit en Wageningen University. De richtlijn krijgt de vorm van ‘dwingende randvoorwaarden’, zoals Palstra het noemt. Want kennisinstellingen hebben wettelijk een grote mate van vrijheid in het promotiebeleid.

Kwaliteit waarborgen

Toch moeten alle promovendigroepen voldoen aan de kwaliteitseisen. ‘Daar schort het soms aan’, zegt Palstra. ‘En daarom trekken wij als college van rectoren ons de kritiek op de buitenpromovendi aan’, zegt Palstra. ‘De opmerkingen zijn grotendeels terecht. Op dit moment hebben we moeite om de kwaliteit van alle promoties te waarborgen. Dat is ongewenst, want het Nederlandse promotiebestel is van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Onze promovendi staan nationaal en internationaal hoog aangeschreven. Daar willen we geen uitzonderingen op hebben.’

De leidraad zegt dat iedere promovendus minimaal twee jaar voor de promotie bij een universiteit ingeschreven moet staan en aan alle kwaliteitseisen behoort te voldoen. ‘Zo willen we binnen afzienbare tijd duidelijkheid scheppen: zit deze persoon op koers?’, vervolgt Palstra. ‘En een jaar voor de geplande promotie hoort er een plan te liggen hoe de promovendus het traject gaat afronden inclusief het schrijven van het proefschrift. Veel universiteiten, waaronder de UT, hebben de meeste elementen al vastgelegd, maar nu doen we dat landelijk.’

De richtlijn brengt meer eenduidigheid. Zowel promotor als promovendus weten beter wat er wordt verwacht. ‘Een promotietraject van acht jaar of meer legt een onevenredige belasting bij promovendus en promotor’, aldus Palstra. ‘Toch zie je die lange termijnen. Ondertussen bouwen begeleider en onderzoeker een band op. Het is dan voor niemand leuk als de promotie niet doorgaat. Het is daarom belangrijk om vooraf de verwachtingen en de kwaliteitseisen duidelijk te hebben. Niet alleen om zeker te zijn dat het proefschrift voldoet aan de standaard, maar ook om frustratie en uitval te voorkomen.’

‘Probleem speelt niet op de UT’

Op de UT werd in 2014 het statuut voor promovendi ingevoerd en is registratie van alle promovendi verplicht. Het aantal buitenpromovendi aan de UT is zo’n tien procent van het totaalaantal PhD’s. ‘Recent hebben we een ‘opschoonactie’ gedaan’, zegt Palstra. ‘We hebben goed in beeld om wie het gaat. Al onze huidige buitenpromovendi zijn ingeschreven bij de Twente Graduate School en moeten voldoen aan het statuut. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het go/no-go moment, de verplichte 30 EC aan opleidingsvakken en het vier-ogen-principe. Er zijn nu altijd twee (co)promotoren betrokken bij een proefschrift.’

Het is niet bij elke universiteit zo goed geregeld, zegt Palstra. ‘Instellingen hebben een grote mate van vrijheid. Daarom schrijft onze commissie een leidraad, zodat er meer helderheid komt in het beleid.’