Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van de data van 13 duizend twaalfjarige tweelingen, vertelt Stéphanie van den Berg, projectleider van het onderzoek dat drie jaar zal duren. ‘Als broers en zussen het goed doen op school, weet je niet of dat ligt aan de genen of aan factoren uit de omgeving zoals de gezinssituatie. Met tweelingen kunnen we die twee factoren uit elkaar houden.’
![]()
Stéphanie van den Berg
Van den Berg en haar collega’s onderzoeken daarom data van zowel eeneiige als twee-eiige tweelingen. ‘Eeneiige tweelingen hebben dezelfde genen, twee-eiige tweelingen zijn voor de helft genetisch identiek. Als eeneiige tweelingen net zoveel lijken op elkaar als twee-eiige tweelingen qua schoolprestatie, kunnen verschillen in schoolprestatie volledig worden toegeschreven aan de omgeving. Maar als bij eeneiige tweelingen minder verschillen optreden dan bij twee-eiige tweelingen, spelen de genen waarschijnlijk een rol.’
Volgens Van den Berg is het niet de bedoeling aanleg dan wel sociale factoren uit te sluiten als basis voor schoolprestaties. Ze wil vooral weten hoe belangrijk de interactie tussen die twee is. ‘Als je getalenteerd bent, hoeveel maakt het dan nog uit wie je docent is, in welke klas je zit of hoeveel je ouders verdienen?’ Er wordt al veel onderzoek gedaan naar tweelingen, maar nieuw in dit UT-project is dat een betere statistiek wordt ontwikkeld om deze interactie te kunnen bestuderen.
Archieffoto van de bekendste UT-tweeling: de gebroeders Snippe. Foto: Gijs van Ouwerkerk