De vakgroep van Svensson bracht met straatobservaties en enquêtes onder jongeren in kaart hoe de politie optreedt bij zogenaamde proactieve handhaving. Dat zijn bijvoorbeeld identiteitscontroles bij jongeren die op straat hangen en zo een gevoel van overlast kunnen creëren bij buurtbewoners. ‘Dan bestaat het risico dat allochtonen eerder te maken krijgen met maatregelen dan autochtone jongeren’, aldus Svensson.
In eerste instantie valt die relatie ook te leggen, zegt hij. Allochtone jongeren worden vaker aangesproken. ‘Maar we hebben in de ook gevraagd hoeveel uur de jongeren op straat lopen en of ze zich ophouden met delinquente vrienden. Dan blijkt dat als je corrigeert naar die zelfrapportage over delinquentie en het aantal uren op straat, agenten niet significant vaker allochtonen aanspreken.’
Opvallend is dat de allochtone jongeren in het onderzoek zelf aangeven dat ze wel ongelijk worden behandeld. Svensson: ‘Je moet ook niet concluderen dat allochtone jongeren niet worden gediscrimineerd. Het gebeurt alleen niet door de politie. Althans niet structureel. Allochtonen komen vaker uit een lager sociaal milieu, hebben minder kansen op de arbeidsmarkt en als resultaat daarvan hangen ze vaker rond op straat. Dat allochtonen vaker worden aangesproken, ligt dan niet aan de politie. Agenten moeten de orde handhaven en worden geconfronteerd met de gevolgen van beleid op andere terreinen. Als er sprake is van discriminatie, dan ligt die daarvoor.’
Het onderzoek werd verricht vanuit het Institute of Governance Studies van de UT, in opdracht van het onderzoekprogramma Politie en Wetenschap van de Politieacademie.