Paul de Kuyper
Als je als hulpverlener vermoedens hebt van kindermishandeling en je wilt die toetsen bij andere instanties, dan stuit je nog wel eens op een dilemma. Voordat je dit mag doen, moet je eerst met de ouders in gesprek gaan om te kijken wat er aan de hand is. Als je dan nog twijfels hebt, heb je toestemming van diezelfde ouders nodig om bij bijvoorbeeld de school navraag te doen.
‘Je loopt als hulpverlener tegen knelpunten op. Professionals hebben bijvoorbeeld moeite het beroepsgeheim te schenden, want tegelijkertijd hebben ze hun zorgplicht. Dat kunnen twee conflicterende principes zijn. Je wilt ouders niet vals beschuldigen, maar ook niet dat een situatie escaleert’, schetst Konijnendijk de praktijk van het signaleren van kindermishandeling.
‘Je hebt vaak meerdere signalen nodig voor er een vermoeden ontstaat van kindermishandeling. Als signalen die bij verschillende hulpverleners binnenkomen gebundeld worden, krijg je een sterker vermoeden. Als een moeder bijvoorbeeld met een kind dat veel te koud gekleed is voor de tijd van het jaar bij de dokter komt, kan het zijn dat ze die ochtend veel haast had of er geen erg in had dat het slecht weer was. Maar als datzelfde kind op school ook altijd te koud gekleed is, wordt het vermoeden dat er iets mis is sterker. ’
Konijnendijk, die aan de UT psychologie studeerde, begon in april met haar onderzoek naar secundaire preventie van kindermishandeling. Haar project is het eerste promotieonderzoek dat voortkomt uit de Academische Werkplaats Jeugd in Twente. Die samenwerking tussen de UT, GGD Twente, Saxion en het UMC Groningen ging afgelopen maandag officieel van start. De deelnemende partijen onderzoeken hoe kinderen in risicosituaties beter bereikt kunnen worden.
‘In mijn eerste project ga ik de richtlijnen en protocollen die gelden in de jeugdgezondheidszorg tegen het licht houden. Daar heb ik veel ingangen, omdat ik via de Academische Werkplaats ook een dag in de week werk bij de GGD Twente op de stafafdeling jeugdgezondheidszorg’, vertelt Konijnendijk. ‘Vanaf 2012 werken alle hulpverleners die met kinderen te maken hebben met een meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld. Elke organisatie wordt verplicht zo’n meldcode op te stellen en geadviseerd een aandachtsfunctionaris aan te wijzen.’
In volgende projecten wil Konijnendijk onderzoeken hoe de samenwerking in de regio kan worden bevorderd en of er digitale instrumenten kunnen worden ingezet om het werken met de richtlijnen in de jeugdgezondheidszorg te ondersteunen. ‘We hebben de knelpunten nu niet voldoende in beeld. Ik ga kijken hoe de samenwerking in Twente georganiseerd is en hoe de hulp beter kan worden gecoördineerd. Het gaat erom dat problemen vroegtijdig gesignaleerd worden zodat je ouders eerder hulp kunt bieden en erger kunt voorkomen.’
‘We denken aan de ontwikkeling een digitaal instrument voor in het digitale kinddossier, bijvoorbeeld als afstudeeropdracht. Zodra een hupverlener iets signaleert dat kan duiden op kindermishandeling, werkt dat als trigger voor die applicatie. Er worden automatisch taken in de agenda gezet. Bijvoorbeeld: heb je gesproken met de ouders en heb je al contact opgenomen met een aandachtsfunctionaris? We willen een prototype maken om te testen in een pilot. Mogelijk helpt het hulpverleners de richtlijnen en het stappenplan van de meldcode kindermishandeling te volgen.’
![]()
Foto: Arjan Reef