Paul de Kuyper
Het hoogtepunt van de uitbraak van het H5N1-vogelgriepvirus was net achter de rug toen Yali Si (28) in 2007 aan haar promotieonderzoek begon. De wetenschap was toen (en is nu nog) verdeeld in twee kampen. Aan de ene kant onderzoekers die dachten dat de verspreiders van het virus vooral op grote pluimveebedrijven moesten worden gezocht en daartegenover wetenschappers die ervan overtuigd waren dat wilde watervogels zorgden voor de verspreiding van de ziekte. Si, die volgende week promoveert, rekent zichzelf bij die laatste groep.
‘Door in experimenten trekvogels te infecteren, kon worden aangetoond dat watervogels het virus inderdaad verspreiden,’ vertelt Si. Tegenstanders van die theorie weerleggen dat omdat ze niet geloven dat trekvogels de vogelgriep de hele wereld overbrachten. Als ze het virus dragen zijn ze ziek en verzwakt en dan vliegen ze niet over zulke grote afstanden, zo luidt hun redenering. Bovendien, hoe verklaar je dat in Azië, Afrika en Europa H5N1 veel schade aanrichtte terwijl er geen besmettingen waren in Australië en Amerika? Een antwoord op die vraag heeft Si niet. ‘It’s still a puzzle. Je kunt ook niet zeggen dat pluimveebedrijven helemaal niet bijdroegen aan de verspreiding van de ziekte, maar ik ben ervan overtuigd dat watervogels een veel grotere rol speelden.’
Om een volgende uitbraak van het vogelgriepvirus onder controle te houden, is het volgens Si belangrijk dat je de vliegbewegingen van trekvogels kent. ‘Dat is lastig. Ringen en tellen geeft onnauwkeurige data, daarom gebruik ik gegevens van satellietbeelden.’
‘Trekvogels selecteren hun leefomgeving vooral op de afstand tot hun geboorteplaats en de aanwezigheid van voedsel,’ legt de Chinese uit. ‘Watervogels zoeken gebieden met veel voedsel van hoge kwaliteit. Ze willen gras met een hoge dichtheid aan biomassa, hun voedingsstoffen. Maar het moet niet te lang gegroeid zijn want dan wordt het stug en kost het te veel moeite om te bijten.’
‘De groeistadia van gras kun je met satellietbeelden in kaart brengen’, vervolgt de promovenda. ‘Bijvoorbeeld aan de hand van de hoek waarin de bladeren groeien. Als je weet hoe gras groeit, kun je ook voorspellen wat de beste periode is voor watervogels om in het gebied neer te strijken.’ Si testte haar model op enkele graslandgebieden in Noord-Nederland.
Ze heeft hoge verwachtingen van haar methode, maar in de strijd tegen de verspreiding van een vogelgriepvirus is dit slechts het begin, zegt ze zelf. ‘Om tot een accuraat systeem te komen, zou je ook andere vegetatietypen in kaart moeten brengen. Bovendien moet je het dan opschalen naar een mondiaal niveau.’
‘En dan nog houd je een virusgolf er niet mee tegen,’ realiseert Si zich. ‘Het is meer een manier om te monitoren dan om een uitbraak tegen te gaan. Als je weet wanneer watervogels naar een bepaald gebied komen, kun je eerder en efficiënter maatregelen nemen om verdere verspreiding te voorkomen. Zo kun je de schade beperken.’
![]()
Yali Si verdedigt volgende week donderdag haar proefschrift. Foto: Gijs van Ouwerkerk