Maaike Platvoet
China en de gezondheidszorg. Om die twee onderwerpen draaide een groot deel van de wetenschappelijke carrière van Krabbendam. En die twee onderwerpen stonden ook weer centraal in het afscheidsprogramma dat gistermiddag in de Vrijhof plaatsvond. ‘Mijn interesse voor China ontstond na een studiereis die ik er maakte en nadat ik benoemd werd tot gasthoogleraar aan een Chinese universiteit. Het was eind jaren negentig fascinerend om te zien hoe de innovatie zich ontwikkelde binnen de Chinese industrie, dat wilde ik als wetenschapper meemaken. Tegen de toenmalige rector Frans van Vught heb ik destijds wel eens gezegd: de UT zou eigenlijk een dependance in China moeten hebben. Toen was dat een heel revolutionair idee.’
Krabbendam is dan ook van mening dat de UT toen een kans had. ‘Nu gaan er zo veel delegaties naar China, je valt niet meer op. De allerbeste universiteiten, onder andere in Peking, hebben inmiddels samenwerkingsverbanden met universiteiten als Stanford en het MIT. Natuurlijk is het nog wel van belang dat de grote bazen zo nu en dan afreizen om te werken aan relaties met Chinese universiteiten. Maar dan moet het vooral gaan om herbevestiging van contacten. Bij het opbouwen van structurele contacten is het veel beter om als één grote technische universiteit richting China op te treden. Dat maakt veel meer indruk. Het Nederlandse onderwijs moet zich hoe dan ook niet versnipperd aanbieden.’
Het gebied van de gezondheidszorg is een ander onderdeel van Krabbendams werk. Jaren geleden werd hij door professor Vierhout, chirurg in het Medisch Spectrum Twente, benaderd met de vraag of de UT iets kon betekenen om het management van ziekenhuizen te verbeteren. Uit die contacten vloeide de gezondheidstrack voort, een afstudeerrichting bij technische bedrijfskunde. Die track groeide uit tot een groot succes. ‘De studenten van toen zijn inmiddels op erg goede posities terecht gekomen. En nog steeds is er veel vraag naar dit soort managers.’ Krabbendam vindt het dan ook jammer dat de track inmiddels is opgegaan in de opleiding gezondheidswetenschappen en dat daarmee het technisch bedrijfskunde karakter min of meer verlaten is.
Dertig jaar was Krabbendam werkzaam aan de UT. Direct na zijn afstuderen vertrok hij naar Ivoorkust voor een ontwikkelingsorganisatie en was daar twee jaar lang leraar wiskunde. Daarna vond hij werk bij de Nationale Woningraad en de afdeling Automatisering van de Belastingdienst, maar in 1981 keerde hij terug naar de campus. Daar kwam hij in de vakgroep van professor Hulshof terecht. Na de benoeming tot hoogleraar, in 1991, volgde ook de aanstelling tot decaan van de toenmalige faculteit Technologie & Management. Voor Krabbendam brak in 1998 een moeilijke periode aan toen hij een inhoudelijk conflict kreeg met CvB-voorzitter Frans van Vught over de TSM Business School. Dat conflict liep zo hoog op dat Krabbendam zijn functie als decaan neerlegde. De professor vindt het niet gemakkelijk om op die periode terug te kijken. ‘Nu zou ik het anders hebben gedaan, het heeft me een lange tijd gekost om er bovenop te komen. Ik had de confrontatie niet openlijk moeten opzoeken en niet zo impulsief moeten reageren.’ Lacht: ‘Misschien was dat nog een restant van mijn wilde jaren? Ik heb er in ieder geval veel van geleerd. En Frans van Vught en ik schudden elkaar nu gewoon de hand.’ Hij beaamt als eerste dat het voor wetenschappers belangrijk is om een goede relatie te onderhouden met het college van bestuur. ‘Dat heb ik nu ook, vooral met rector Ed Brinksma. Hij is niet voor niets voorzitter tijdens mijn afscheid.’
Straks, na zijn afscheid, liggen er nieuwe uitdagingen te wachten. Via PUM, Netherlands Senior Experts, een initiatief van VNO NCW zal hij binnenkort als vrijwilliger worden uitgezonden naar Sumatra. Daar werkt hij mee aan twee projecten: de ontwikkeling van een trainingsprogramma voor personeel van een autobedrijf en het verbeteren van het management van een hogere technische school. ‘Ik ben me nu al druk aan het voorbereiden voor deze projecten, heb daar ook erg veel zin in.’ Daarnaast zijn er natuurlijk nog promovendi die hij begeleidt en neemt hij het eerstejaarscollege productiemanagement op zich. ‘De onderwijslast is nu eenmaal hoog, ik wil mijn collega’s graag blijven ondersteunen.’ Dat hij nou net de eerstejaars onder zijn hoede krijgt, vindt de professor juist leuk. ‘Eerstejaars zijn nog zo spontaan. Rumoerig zijn ze bij mij nooit.’ Voegt daar lachend aan toe: ‘Ze hebben natuurlijk ontzag voor mijn grijze haren.’
![]()
Foto: Arjan Reef