Alles werd genoteerd tijdens de vele observaties in groep één, twee en drie van zesenveertig basisscholen in Nederland. Of de leraar nu informeerde naar de nieuwe trui van een van zijn leerlingen of iemand beval om rechtop te gaan zitten, Annevelink en haar student-assistenten tekenden het op.
`Ik wilde weten wat voor soort contacten er zijn tussen leraar en leerling en of die interactie anders is in een kleine klas', vertelt Annevelink die vorige week vrijdag de doctorstitel in de wacht sleepte. Naast het proces in de klas, toetste ze voor haar proefschrift de taalprestaties van 526 leerlingen in groepen met een range van tien tot dertig leerlingen.
Het onderzoek ontstond naar aanleiding van de klassenverkleining die in 1997 werd ingezet. Toen werd afgesproken dat groepen in de onderbouw van basisscholen verkleind zouden worden door scholen extra formatie toe te kennen. De vakgroep onderwijsorganisatie en management van de UT was nieuwsgierig naar de effecten en stelde Annevelink aan als aio. `Ik had op dat moment zelf ook het idee dat kleinere klassen beter zijn. Dat klinkt nu eenmaal logisch omdat je ervan uitgaat dat er meer aandacht voor ieder kind is.'
In haar vers gedrukte proefschrift wordt deze aanname niet bevestigd. `Ik heb me gericht op taalprestaties en ontdekte dat de prestaties van kinderen in kleine klassen niet beter zijn dan die van kinderen in grotere groepen. Alleen in groep één is een effect zichtbaar.'
Afschaffen dan maar, die extra formatie? Nou nee, vindt Annevelink. `Kleinere klassen hebben ook zo hun voordelen. Uit onze observaties blijkt dat er meer interactie is tussen de leraar en de leerling. Ook zijn kinderen in kleine klassen taakgerichter, ze worden minder snel afgeleid.'
Hoe het kan dat de taalprestaties dan niet aanmerkelijk verbeteren, weet Annevelink niet. `Het kan zijn dat leraren nog niet optimaal gebruik maken van de voordelen die een kleine klas biedt. Dat zou een interessante vraag zijn voor een vervolgonderzoek.' Ook moeten scholen wellicht nog beter leren om hun docenten optimaal in te zetten, vindt ze. `Vaak hebben scholen geen goed doordacht onderwijskundig beleid op basis waarvan zij hun formatie inzetten en dan is het maar net hoe het uitkomt.'
Het recente besluit van de minister om extra formatie niet langer te oormerken voor de laagste klassen, vindt ze dan ook jammer. `Scholen mogen nu zelf beslissen waar ze hun extra leerkrachten inzetten. Dat maakt het alleen nog maar complexer. Ik begrijp dat scholen autonoom willen zijn, maar in dit geval zou ik ze toch bij de hand nemen.'
Haar onderzoek kreeg en krijgt veel aandacht. Lachend: `Laten we het er maar op houden dat iedereen nu eenmaal een mening over onderwijs heeft.' Inmiddels richt Annevelink zich op wat oudere leerlingen. `Ik ben weg bij de UT. Ze hadden helaas geen geld om me te houden. Maar ik werk nu voor het IOWO, een onderdeel van de Radboud Universiteit Nijmegen dat zich richt op onderzoek en advies op het gebied van hoger onderwijs. Ik ga onder meer onderzoek doen naar studie-uitval en tevredenheid van studenten. Een heel andere groep inderdaad. Maar ook leuk.'
Jannie Benedictus
Elvira Annevelink