Een student uit het Verenigd Koninkrijk volgde een studie in Nederland en werkte naast haar opleiding. Ze ontving studiefinanciering, maar kreeg een ernstig ongeluk. Aanvankelijk kon ze helemaal niet meer werken, later ging ze weer deels aan de slag.
Het ministerie hanteerde een strikte urennorm: deze student moest minimaal 24 uur per maand werken, anders had ze geen recht op studiefinanciering. Arbeidsongeschiktheid was geen excuus.
De kwestie speelt al sinds 2022. De student spande een rechtszaak aan en won. Het ministerie van Onderwijs moest toegeven dat arbeidsongeschiktheid inderdaad een goede reden was om niet te werken. Toch ging het ministerie in hoger beroep: na een poosje ging de student immers weer aan het werk. Waarom dan geen 24 uur per maand?
‘Niet onaannemelijk’
Maar ook bij de Centrale Raad van Beroep wint de student. Zij verkeerde naar eigen zeggen in nijpende financiële omstandigheden en was ‘zo goed en zo kwaad als het ging’ weer gaan werken, maar door het ongeval had ze nu eenmaal fysieke en psychische klachten.
Volgens de rechter is het ‘niet onaannemelijk’ dat de student wat minder kon werken dan voorheen. Bovendien moest ze meermaals naar het Verenigd Koninkrijk ‘voor controles, verder onderzoek en een nieuwe operatie’.
Bovendien werkte ze gemiddeld 20 uur per maand in plaats van de benodigde 24 uur. Dat verschil is te klein om moeilijk over te doen, stelt de rechter. Dus heeft deze student alsnog recht op haar studiefinanciering voor het jaar 2022. Het ministerie moet bovendien haar proceskosten vergoeden.