Onderzoekschool

| Redactie

Deze week dr.Jaap Scheerens, hoogleraar onderwijsorganisatie en - management bij de faculteit TO, wetenschappelijk directeur van OCTO (het derde geldstroom onderzoeksinstituut van die faculteit) en wetenschappelijk directeur van de interuniversitaire onderzoekschool ICO.

In deze rubriek wisselen gastauteurs elkaar, op uitnodiging van de redactie, af.

Laatst vroeg een collega zich hardop af of het van de grond krijgen van een interuniversitaire landelijke onderzoekschool niet gekwalificeerd moest worden als het trekken aan een dood paard. Van de startfase van het ICO, de interuniversitaire onderzoekschool op het terrein van de onderwijskunde, herinner ik mij dat daarin een zeker elan en voortvarendheid mogelijk was. De externe beloningen waren helder, eerst een STIMULANS-subsidie behalen en daarna erkenning door de KNAW. Het eerste lukte in 1993, met een samenwerkingsverband van vier universiteiten. Vervolgens werd het samenwerkingsverband uigebreid tot acht universiteiten, en in deze constellatie werd medio 1994 de erkenning van de KNAW verkregen. De inhoudelijke voorbereiding van de erkenningsaanvraag kostte ongeveer twee weken; de inhoudelijke discussie erover vier weken en de ambtelijke vervolmaking (acht universiteitsbureaus) zes maanden.

Maar toen. Bij de uitbouw en verbetering van het onderwijsprogramma werden wij geconfronteerd met het feit dat verschillende universiteiten de AIO's verplichtten om ook het opleidingsprogramma van de plaatselijke onderzoekschool of het plaatselijke facultaire onderzoekinstituut te volgen. Ook bleek dat soms de neiging bestond om te tornen aan het overeengekomen aantal toe te leveren AIO's.

Op het gebied van de uitwerking van het onderzoekprogramma werd de moeizame verhouding tussen de centrale missie van de onderzoekschool en lokale ontwikkelingen nog sterker gevoeld. Precies één jaar na de KNAW-erkenning vond de VSNU-onderzoekvisitatie plaats op het terrein van de onderwijkunde en de pedagogiek. Hierin werden lokale onderzoekprogramma's beoordeeld en werd door lokale colleges van bestuur en faculteitsbesturen gevraagd om in lokale plannen het toekomstige onderzoek te programmeren. Ook op het terrein van het onderzoek blijven alle lokale structuren in stand, ondanks het feit dat de interuniversitaire onderzoekschool nieuwe structuren dient te ontwikkelen. Idealiter laat men de plaatselijke organen samenvallen met die van de onderzoekschool, maar er zijn ook gevallen waarin men het tegenovergestelde doet (bijvoorbeeld de enige hoogleraar die niet aan de criteria voor de onderzoekschool voldoet is voorzitter van de Vaste Commissie voor de Wetenschap).

De vorderingen die er desalniettemin gemaakt worden, zijn betrekkelijk kleine stapjes vooruit. Er is enige centrale beleidsruimte die door alle deelnemende universiteiten wordt bekostigd. Het onderwijsprogramma wordt geleidelijk aan beter beoordeeld door de AIO's zelf en bepaalde onderdelen (AIO-conferentie, internationale summerschool) zijn zelfs behoorlijk succesvol. Op het terrein van de onderzoekprogramma's zijn er vier divisies opgericht, waarvan er drie een redelijk coherent programmatisch kader hebben, en de vierde nog 'zoekende' is. De postdoc projecten die op basis van de STIMULANS-subsidie zijn gestart en verder lokaal financieel zijn ondersteund, hebben bij de ontwikkeling van de divisies inderdaad een stimulerende werking gehad. Verder zijn er procedures overeengekomen om de onderzoekprojecten van AIO's en individuele stafleden meer vanuit de onderzoekschool te kunnen (bij)sturen, zijn er concrete afspraken voor meer gezamenlijke inzet bij het begeleiden van AIO's, is er een informatiesysteem en zijn er afspraken over gezamenlijke publicaties ontwikkeld.

Tenslotte is het internationale netwerk verder uitgebouwd. Het opmerkelijke van een disipline-gewijs landelijk dekkende onderzoekschool als het ICO is dat het belang ervan, als 'iets dat er moet zijn' vrij algemeen gedeeld wordt. Op een wat concreter niveau zijn de incentives minder duidelijk en zwemt de onderzoekschool, bij het ontberen van universiteitsoverstijgende formele bevoegdheden, in tegen de stroom van plaatselijk bestuur en de autonomie van plaatselijke onderzoekgroepen en individuele onderzoekers. Nu zal ik de laatste zijn om te ontkennen dat de basis van wetenschappelijke produktiviteit in betrekkelijk kleine onderzoekgroepen ligt. Ook de onderzoekschool moet het daarvan hebben. Het kost alleen soms wat moeite om hier en daar de ramen open te krijgen en over elkaars schuttinkjes heen te (laten) kijken.

Kortom, het beeld van het trekken aan het dode paard is niet adequaat. Eerder zou ik de ontwikkeling van een interuniverisitaire onderzoekschool als het ICO willen vergelijken met het vooruit zien te krijgen van een springlevende doch koppige muilezel. Zoals bekend, hangt dit af van de wortels die men het dier voor kan houden. Wat dat betreft zou het welkom zijn als penvoerende universiteiten bereid zouden zijn interuniversitaire onderzoekscholen evenzeer te ondersteunen als ze doen met hun plaatselijke interfacultaire instituten.

Stay tuned

Sign up for our weekly newsletter.