Tekst en foto's: Sandra Pool
Gids Benno, geboren en getogen in Enschede, is een natuurliefhebber pur sang. In zijn jonge jaren bracht hij de zomers met zijn ouders door in het groene kerkdorp Buurse en speelde er van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat in de weilanden en bossen rond de kampeerboerderij. Van zijn hobby (het spelen werd later wandelen in de natuur) maakte Buursink (53) na het voltooien van de tuinbouwschool in 1974 zijn werk. Al drieëndertig jaar werkt hij inmiddels voor de gemeente Enschede in de buitenlucht. Eerst als tuinman bij de afdeling openbaar groen. De laatste dertien jaar is hij beheerder van het Abraham Ledeboerpark, vernoemd naar de textielbaron uit het grijze verleden. Het park grenst strak aan de campus. Buursink maakte de ontwikkeling van de universiteit van dichtbij mee. `Wij kregen vaak praktijkles op de campus. Die lag namelijk tegenover de tuinbouwschool aan de Hengelosestraat.'
| De zichtlijnen op de Campus. |
Benno is zeer te spreken over de inbedding van de UT-gebouwen in het natuurlijke groen. `Dat is knap gedaan,' zegt hij vol lof. `Ik denk dat menig stedenbouwkundige hiervan smult. Vooral ook omdat veel authentieke elementen bewaard zijn gebleven.' De gids wijst naar de Faculty Club, rechts. `De gerestaureerde boerderij heeft nog dezelfde contouren als de boerderijen die hier vroeger stonden. Het gebouw ligt prachtig verscholen achter de dikke eiken die zo'n 150 jaar oud zijn. Zoiets verwacht je niet op een high tech campus. Het is uniek voor een universiteit dat medewerkers en studenten zo het bos in kunnen lopen.'
Links ligt gebouw Hogekamp. `Je weet dat het kolossale pand er staat, maar door de bomenpartijen ervoor is het complex met bos omgeven. Mooi werk. De groene longen zijn gebruikt als rustpunt: er is er geen directe confrontatie met het scala aan gebouwen.'
Buursink is een kenner. Wanneer-ie het slingererende bospaadje induikt, aan het eind van de Boulevard, achter het rode fietspad, ontpopt hij zich als een wandelende natuurencyclopedie. Terwijl hij naar boven tuurt, somt-ie op:`Een grove den, eik, een beuk.' De analyse volgt. `Dit is een mengeling van bos, ongeveer vijftig jaar geleden natuurlijk ontstaan. Hier, een Acaciaboom.' Genietend: `Die bloeit mooi zeg, en ruikt lekker!' Inspecterend flaneert hij verder. Groene blaadjes glijden zachtjes door zijn hand. `Kijk, een berk, daar een tamme kastanje en zelfs een vogelkers. Je moet er wel oog voor hebben en je afvragen: wat zie ik en wat verneem ik? Ik hoor kraaien, meesjes en merels. Wist je dat merels 32 verschillende zanggeluiden in hun repertoire hebben?' Ooit is de ijsvogel op de campus gesignaleerd, weet hij, maar of het rappe felgekleurde beestje er nog steeds voorkomt, betwijfelt hij. `Het vogeltje is gek op stromend water en dat is hier niet.'
| Een serie fruitbomen in het weiland. |
Zelfs over omgevallen, wegrottende bomen op de grond, heeft hij een interessant weetje. `Die creëren ander licht. Dat zie je direct terug in de begroeiing op de aarde. Er groeien nu bramenstruiken die veel licht nodig hebben. De Hedera zal daar verdwijnen. Deze snelgroeiende klimop houdt namelijk van schaduw.' Het is belangrijk dat gesneuvelde bomen blijven liggen. `Voor grondbroeders - eenden - en heggebroeders - de mus - zijn het ideale plekjes om nesten te bouwen.' Of eekhoorntjes op de campus huizen? Buursink knikt: `Ik denk tien tot vijftien paartjes. Ze roetsjen van boom tot boom in een gebied van ongeveer zes hectare en ze hebben zes à zeven nesten. Eentje gebruiken ze voor de jongen, de andere om in te spelen of als vluchtoord. Meestal zijn het voormalige vogelnesten die ze transformeren tot een bal en van binnen bekleden met pluisjes schapenvacht of stukjes stof. `Over hun portie eten hebben ze niet te klagen: eikels, beukennootjes en dennenappels, er is genoeg.
| Het rietveldje voor de Horst |
Het met bladeren bedekte kronkelpaadje komt uit bij een lange bomenlaan met rechts eiken en links beuken. `Deze enorme bomen zijn zo'n 120 jaar oud. Ze vormen samen zogeheten zichtlijnen: ze dwingen je in een bepaalde richting te kijken. De laan is een overblijfsel uit de tijd van weleer. Waarschijnlijk leidde deze naar een landgoed.' Eén van de taaie beuken wordt geteisterd door grijs kleurige tondelzwammen, een hoefvormige schimmel die groeit op dode of halfdode bomen met de beuk als favoriet. Buursink springt omhoog in de hoop er eentje los te kunnen peuteren. `Die zit stevig vast!' Na enkele verwoede pogingen geeft hij het op. Dan maar zo het verhaal. `Reizigers gebruikten de tondelzwam om een vuurtje te maken. Het goedje houdt hitte vast en blijft lange tijd gloeien. Zo had men altijd vuur mee onderweg.' De beschadigde beuk heeft van meer te lijden dan alleen de familie tondelzwam. Een kale inktzwam nestelt zich op de schors, kleine wormen vreten zich een weg door het hout en een metselbijtje bewoont een minuscuul holletje in de bast.
De gids wijst het allemaal met bezieling aan. `Je kunt ontzettend veel ontdekken op de vierkante meter. Maar je moet het wíllen zien.' Hoewel de boom op sterven na dood is, is het niet verstandig om `em te kappen, weet Buursink. `Dan `verbranden' de beuken ernaast. De haarvaatjes, die vlak onder de bast zitten, zullen door het vele licht dat ze ineens krijgen kapot schroeien.'
De wandelroute buigt naar rechts en voert langs weilanden waar een kwartet koeien smakelijk sappig hoog gras naar binnenwerkt. Het verhoogde esje en het vee zijn uniek voor de campus, vindt de gids. Trots: `Welke universiteit heeft er nu koeien op zijn terrein?'
Met hopen mest en heideplaggen is volgens hem het stukje weiland omhoog gebracht. `Agrarisch ingrijpen heette dat, bedoeld om een vruchtbare grond te krijgen. Vroeger verbouwde men hier graan.' Een serie fruitbomen doorsnijdt het weiland. `Waarschijnlijk appelbomen, te herkennen aan hun knoesterige vorm.' Verderop ligt de nieuwbouw van Carré en Nanolab. Die acht Buursink `boomverantwoord'. `Er is genoeg afstand tussen de eerste muur en de bomenrij ervoor. Daar is echt over nagedacht. Fluctuatie in het grondwater is namelijk funest voor bomen. Met deze ruimte ertussen zullen de oude exemplaren blijven leven.'
De flora en fauna is continu in beweging. `Elke dag verdwijnen er wel soorten en komen er nieuwe bij. De Koninginnenpage, een prachtige dagvlinder, zien we de laatste jaren steeds vaker in Nederland. Aanvankelijk kwam het beestje alleen in de warme Europese gebieden voor. Hieraan merk je dat het klimaat verandert.' Een eerste soort die zal verdwijnen, is waarschijnlijk de beuk, beweert de deskundige. `Deze loofboom kan slecht tegen droogte en schuift waarschijnlijk op richting Noorwegen.'
Terug naar de campus met z'n aangelegde vijvers bij de Horst. `De waterpartijen zijn nodig om de waterhuishouding te stroomlijnen. De begroeiing langs de oevers is overigens wel natuurlijk. Mooi hè? Die bomen die over het water uitsteken?' Ook de rietvelden in de beek stemmen Buursink vrolijk. `Het is een prachtig waterzuiveringssysteem, puur natuur. Maar hoe het systeem exact werkt, weet ik niet'. Nieuwsgierig betreedt de gids het jonge rietveld en bestudeert de meters in een plastic buis. Misschien dat het wat oplevert. `Ze registreren wel iets, maar wat..?' De tocht gaat verder langs de `windmolenhoek'. Buursink verhaalt onderweg dat de vroegere textielbaron Van Heek in zijn jonge jaren al struinde over wat nu de campus is. `Hij kocht linnen op bij thuiswevers, meestal boeren. Later trouwde hij met een dochter van de landheer Lasonder die hier een landgoed bezat. Door erfgrond kon Van Heek een eigen bleekweide om het linnen te bleken, beginnen.'
Buursink kruist de Boerderijweg en kiest het eerste zandpad links. Non-stop ratelt hij vrolijk over de reeën in het campusbos. `Nee, wilde zwijnen zijn er niet. Uilen en buizerds weer wel. Spechten ook. Die kunnen zich hier goed uitleven. Zie je, die bomen zijn meer dood dan levend. Onder de bast zitten boomkevers, torretjes, en boomkruipers. De specht peutert de insecten met zijn scherpe snavel los. Het beest heeft ook een geweldige nekwervel om die schitterende ronde gaten te hakken. Kijk, daar heb je er een paar.' Hij wijst naar de ronde vormen in een boom. Het bos langs de Horstlindelaan gaat over in een dennenbos. Dé ideale vertoefplek voor eekhoorntjes, denkt de gids. De beige gekleurd steeltjespaddenstoel is nadrukkelijk aanwezig.
`Kijk, aangevreten door muizen of eekhoorns. Buursink graaft op z'n knieën wat mos en zand weg en observeert de grond rondom de dikke eikenboom. Een zwammetje duwt z'n kopje met alle macht door de aarde.. `Je hebt best kans dat hier over een paar weken een heuse heksenkring opkomt.' Weer aan de wandel, ontdekt de natuurgids her en der nog wat hop. `Voor de bierliefhebbende student', lacht hij. Terug bij de bomenlaan keert Buursink rechtsom naar het Ledeboerpark, waar het werk wacht. Hij wijst op de dikke zwam tussen omgekapte boomstronken. `Dat is mijn nieuwste ontdekking.'