| Rector magnificus Ed Brinksma. Foto: Gijs van Ouwerkerk |
Bijna een jaar geleden volgde Ed Brinksma Henk Zijm op als rector magnificus. De eerste maanden had hij nodig om zicht te krijgen op het reilen en zeilen van de universiteit en zijn eigen rol daarin te ontdekken. De indaling is voltooid, de nieuwe rector acht zich in staat kritisch naar de UT te kijken. En dat stemt hem allerminst tot tevredenheid.
`We kunnen allerlei ontwikkelingen niet zomaar over ons heen laten komen. Dit is het moment om mijn mening te ventileren. Wat ik nu zeg beschouw ik als een wake up call. Mijn boodschap is niet dat het allemaal niet deugt op onderwijsgebied, integendeel. Maar wel dat een cultuuromslag nodig is om weer in de top mee te tellen. Dat was een tijdje geleden zo, maar nu niet meer.'
Brinksma herinnert zich de tijd - eind jaren negentig - dat de UT hoge scores liet zien in allerlei rankings. Op onderwijsgebied dan wel te verstaan. In de bekende Keuzegids was Twente steeds vooraan te vinden. Als de beste TU, of als de beste van de kleine universiteiten. Met diverse uitblinkende opleidingen op nummer één of twee. Vaak samen met Maastricht en nipt voor Eindhoven. Enschede werd zelfs uitgeroepen tot de beste studentenstad. Al die ereplaatsen leverde het personeel en de studenten steeds weer een rondje vlaai op, aangeboden door de van trots glimmende rector Frans van Vught. Dat waren nog eens tijden. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de performance van het onderzoek destijds achterbleef. Nu, tien jaar later zijn de rollen omgedraaid: de UT sleept grote, prestigieuze onderzoeksprijzen binnen en kan zich op onderdelen meten met de wereldtop. Maar de glans is van het onderwijs af, constateert hij.
Weekblad Elsevier kwam vorige maand met een themanummer waarin studenten en hoogleraren verschillende opleidingen beoordeelden. De UT scoort daarin matig, op een paar gunstige uitzonderingen na. Dat was voor Brinksma het sein de balans op te maken en zijn boodschap nu te ventileren. Vlak voor de dies natalis.
`Kijk, op de opzet van de Elsevier-enquête mag dan van alles aan te merken zijn, de matige score voor de UT is toch een veeg teken.' Legt uit: `Natuurlijk kan een UT-hoogleraar niet of nauwelijks een gefundeerd oordeel vellen over opleidingen aan bijvoorbeeld die van de UvA. Omgekeerd ook niet. Maar die methode wordt in het onderzoek wel gebruikt. Ook komt bedrijfsinformatietechnologie bij Elsevier als enige opleiding in zijn categorie voor - en is dus niet te vergelijken. En dat terwijl uit een recente accreditatie is gebleken dat deze veelbelovende UT-bacheloropleiding juist uitstekend scoort.' Maar betrouwbaar of niet, zo'n onderzoek zegt natuurlijk wel `iets', stelt Brinksma. `De methode afkraken heeft weinig zin, we moeten maar eens kritisch naar onszelf kijken', is zijn boodschap.
Uit andere, internationale rankings blijkt een soortgelijke middelmatigheid. `In de Internationale Barometer doet de UT het op het eerste gezicht zo slecht nog niet, maar als je goed kijkt scoren we vooral goed met onze faciliteiten. In voorlopige metingen in het kader van een prestatieconvenant van de VSNU, dat nog niet openbaar is, lees ik dat de drie TU's niet goed scoren. De efficiency van hun onderwijs laat nogal te wensen over. Ze doen er te lang over om de student in de bachelorfase op het goede spoor te krijgen. De selectiviteit van de propedeuse en het rendement van de bacheloropleidingen moeten drastisch omhoog. Een grote universiteit als Utrecht doet het in dat opzicht veel beter. Dat is opvallend: die rol zou meer voor ons weggelegd moeten zijn, als kleine, flexibele universiteit, met relatief minder bureaucratie en met korte lijnen. Niet dus. Ook de instroom van eerstejaars is dit collegejaar minder hard gegaan dan verwacht. Delft en Eindhoven groeien harder en doen het dus beter.'
De rector wenst vast te stellen dat de UT met haar onderwijs niet meer dan gemiddeld scoort. `Dat strookt niet met onze ambitie om bij de top te horen. We zijn niet goed genoeg: geen hekkensluiter maar ook geen top. Middelmatig onderwijs maakt een kleine universiteit in het nationale en internationale krachtenveld kwetsbaarder. Meer dan de grote universiteiten, die toch altijd wel aan hun studenten komen.'
Brinksma wil zijn analyse nog wel even afmaken voordat hij over de remedie begint. Want die is er volgens hem. `Ooit was de UT de aanjager van het UT-federatieproces. We liepen met die nieuwe insteek voorop. Wat je nu ziet is dat er overal bundelingen ontstaan. Zo hebben de academische ziekenhuizen ook het voornemen om als één organisatie naar buiten te treden. Samen opereren is belangrijk, maar in een coalitie moet je ook iets te bieden hebben. De UT heeft behalve met Delft en Eindhoven ook samenwerkingsverbanden met Nijmegen, Groningen en Wageningen, maar zoiets slaagt alleen als je sterke punten kan laten zien. Daar komen ze op af. In het onderzoek staat de UT sterk, maar in het onderwijs duidelijk minder.
Dat de kanteling van de instituten (waar sinds een jaar of tien al het UT-onderzoek in is gebundeld) heeft geleid tot deze ongewenste situatie, daar wil Brinksma niet aan. `Daar geloof ik niet in. Het was destijds in ieder geval niet de insteek dat het onderwijs daardoor een ondergeschoven rol zou krijgen. De kanteling heeft het onderzoek wel zichtbaarder gemaakt.'
Wat dan wel de oorzaak is van het middelmatige onderwijsniveau? Brinksma denkt dat het te maken heeft met een aantal factoren. De wet van remmende voorsprong is zo'n factor. De andere universiteiten zijn wakker geworden. `Ze doen waar wij, net als Maastricht, altijd goed in waren: ze zijn hun onderwijs gaan vernieuwen en houden dat vol, terwijl wij begonnen te denken dat het wel goed zat. Het vernieuwen van ons onderwijs is niet langer ons sterke punt. Lange tijd liepen we als jonge universiteit voorop. Het onderwijs stond hoog op de agenda bij de jonge universiteiten, dat zag je ook in Maastricht. De andere universiteiten hadden een achterstand, maar dat heeft voor hen stimulerend gewerkt. De laatste jaren is de UT simpelweg te weinig bezig geweest met vernieuwingen in het onderwijs.'
Een nieuw idee dat langzaamaan zichtbaar wordt, maar nog verder uitgewerkt moet worden is de vormgeving van het onderwijs van de UT volgens de drie O's: die van onderzoeker, ontwerper en organisator. Brinksma: `Die rollen passen bij het ondernemende karakter van deze universiteit. Het idee is dat studenten vanaf het begin van hun studie in staat worden gesteld een of meerdere O's te ontwikkelen. Zoals bijvoorbeeld bij de bachelor informatica, waar een stuk onderzoek is ingebed in het onderwijs. Die opzet oogstte bij de accreditatie veel lof.'
Het zijn volgens de rector deze drie rollen die in het UT-onderwijs nadrukkelijk zichtbaar moeten zijn en samen het onderscheidende profiel van de UT-student bepalen. `In de werkgroepen van Route'14 (het UT-ontwikkelingsplan 2014, red.) wordt erover nagedacht, maar toegegeven, het mag wel wat zichtbaarder. Het idee erachter is dat de student door deze opzet wordt geprikkeld en uitgedaagd en gemotiveerder en dus sneller door de studie gaat. Dat werkt rendementsverhogend en daar wordt iedereen beter van.'
De kwaliteit van ons onderwijs zou een vanzelfsprekend onderdeel van onze cultuur moeten zijn, vindt Brinksma. `Maar hoe effectief zijn we er met z'n allen mee bezig? Er is sprake van versnippering. Als we vernieuwend willen zijn, moeten we samen nadenken over de uitgangspunten. En niet ieder voor zich. Natuurlijk, de laatste jaren hebben medewerkers zich hard ingezet voor hun eigen opleiding. Maar het is nog belangrijker om verder dan de eigen opleiding te kijken en ook buiten de UT. Best practices? Nou, we weten lang niet alles van elkaar. In het onderwijs zullen we een zelfde slag moeten maken als in het onderzoek. De uitnodiging om daaraan bij te dragen wil ik bij dezen neerleggen.'
De rector vertelt dat hij zelf als hoogleraar altijd actief is geweest in beide sectoren. `Door onderwijs te geven kreeg ik juist ideeën voor het onderzoek en omgekeerd. Het is een positieve wisselwerking. Ik wil geen generaliserende opmerkingen maken, maar voor sommige docenten is het onderwijs wel een sleur geworden die maar weinig energie geeft. Uiteraard is het ook een kwestie van personeelsbeleid. In functiebeoordelingen zal nadrukkelijker naar de rol in het onderwijs gekeken moeten worden. Dat wordt nu ook wel gedaan, maar het kan beter. Aan Amerikaanse topuniversiteiten is juist het onderwijs een heel belangrijk evaluatiepunt.'