Decanen, instituutsdirecteuren en het CvB hebben vorige week in grote lijnen ingestemd met de eindrapportage van de commissie-Berger. In het werkstuk doet de commissie een besparingsvoorstel van circa 10,5 miljoen.
Het geld moet volgens de commissie Berger komen uit een reorganisatie van de zogenaamde communicatiekolom (1 miljoen), het versnellen van het centrale inkoopproces (6 miljoen), het vergroten van de campusinkomsten (1 miljoen), het verminderen van de UT-bijdrage aan sport en cultuur (1 miljoen) en een besparing op het gebied van secundaire arbeidsvoorwaarden (1,5 miljoen).
De werkgroep heeft een globale kwantitatieve analyse gemaakt van het ondersteunend- en beheerspersoneel (OBP). Daaruit blijkt dat de omvang van het OBP harder groeit dan die van het wetenschappelijk personeel (WP). Volgens Berger is er geen reden die die schreefgroei rechtvaardigt. Door de optimalisatie van processen zou eerder sprake moeten zijn van een daling. De implementatie van Route'14 zal tot een kleinere staf leiden (circa 10% minder WP), maar vooral tot een flexibeler personeelsbestand. Dit betekent volgens de commissie dat ook het OBP zal moeten afslanken. Berger adviseert daarom als tijdelijke maatregel met onmiddellijke ingang alle nieuwe OBP-vacatures via PA&O en het CvB te laten lopen.
De meest gehoorde opmerking over communicatie - zo meldt het rapport - is dat er teveel communicatiefuncionarissen zijn en te versnipperd bezig. Ook van beleidsmedewerkers heeft men geen helder beeld van wat ze doen. Ze worden gezien als verlengstuk van het CvB. De huidige C-kolom kent 57 fte's. Er zal een reorganisatie van de communicatiekolom moeten plaatsen, aldus Berger, die terug wil naar de `normale bezetting' van de jaren 2005 tot en met 2008: een kleine 40 fte's. Dat zou een besparing van circa 1 miljoen euro moeten opleveren.
Ten aanzien van de UT-cultuur merkt Berger op dat `samenwerken' een belangrijke randvoorwaarde is in de gekantelde organisatie met een gelijkwaardige positie van faculteit en instituut. De commissie constateert echter dat de wil om samen te werken op sommige punten ontbreekt. Ander cultuuraspect is bedrijfsmatig handelen. Daaronder wordt verstaan het elkaar aanspreken op het nakomen van afspraken, verzakelijking van het HRM-beleid, begrotingsdiscipline, meer werken met businesscases en meer substitutie van beleidsinitiatieven.
Wat betreft het onderwijs, merkt de commissie op dat in Route '14 een duidelijke keuze is gemaakt voor vergroting van de internationale instroom. Echter, harde gegevens ontbreken. Het zal een `groot aantal jaren' kosten voordat de internationale studentenstroom in financiële zin een positieve bijdrage aan het UT-resultaat levert, concludeert Berger. Verder vindt de commissie dat de UT kritisch moet kijken naar het aantal bacheloropleidingen. Dat aantal zou omlaag kunnen, wellicht door bredere opleidingen aan te bieden.
Verder vindt Berger dat onderzocht moet worden of er voor de UT meer geld te verdienen valt met de campus. Ook moet de UT zich afvragen welk deel van haar eerste geldstroomkosten ze uit wil geven om de sport- en cultuuractiviteiten te faciliteren. Nu is dat zo'n 5 miljoen. Een meer zakelijke benadering van deze exploitatie lijkt gewenst. Ook zou de Student Union mede verantwoordelijk moeten zijn voor het aandragen van besparingsmogelijkheden en het vergroten van de opbrengst. De commissie stelt daarom voor dat de Student Union in samenspraak met S&O met voorstellen komt die het eerstegeldstroombudget de komende vier jaar met 5% omlaag brengt.
Andere concrete besparingsmogelijkheden die Berger in haar eindrapport ziet zijn: indaling van de Vastgoedgroep Drienerlo in het Facilitair Bedrijf, het samen delen van werkplaatsen en labs en het optimaliseren van onderwijsruimten. Ook ligt er een voorstel om een aantal secundaire arbeidsvoorwaarden te schrappen. De UT biedt nu meer faciliteiten aan dan in de cao is overeengekomen. Voor afschaffing is wel toestemming van het OPUT nodig. Het gaat om de volgende voorstellen: schrappen van de maandelijkse internetvergoeding (0,4 miljoen op jaarbasis) en de Xtra-card voor medewerkers, het beperken van het jaarlijks budget voor OPUT (van 2,2 naar 1,5 miljoen), afschaffen van gratificaties bij jubilea, verlagen van de BHV-gratificatie en het inperken van verlofstuwmeren. Ten aanzien van de mobiele telefonie merkt Berger op dat hiervoor geen UT-beleid is en adviseert een eenduidig mobieletelefoniebeleid op te stellen dat erop gericht is kosten terug te dringen.
Het CvB zegt de bevindingen van de commissie te `omarmen', al is een besparing van ruim zes miljoen al heel wat, aldus de financiële man in het college, Kees van Ast. `We moeten ons niet rijker rekenen dan de realiteit toelaat.' De commissie-Berger houdt de UT een spiegel voor, vindt hij. `Noem het maar een steen die in de vijver wordt gegooid. Nee, ik schrik er niet van. Er zijn in de organisatie veel bijstellingen nodig. De tijd zal leren of dat zonder gedwongen ontslagen lukt. Daar gaan we wel ons best voor doen.' Het standpunt van het CvB en stemmen uit het veld verschijnen in een volgend nummer.
Het volledige rapport-Berger komt binnenkort op de website van de UT te staan.
Commissie-Berger
Vlak na de zomer werd de commissie-Berger ingesteld, met als voorzitter FEZ-directeur Joyce Berger. Overige leden waren Martin van Aken, directeur bedrijfsvoering bij TNW en Jan Emmerzaal, zakelijk directeur bij IMPACT en Anja Smit als beleidsmedewerker van PA&O. De commissie voerde haar opdracht in de periode september tot en met november uit en voerde daarvoor in tweetallen circa 35 interviews met de leden uit verschillende managementteams. In deze gesprekken is gevraagd naar de kwaliteit van de ondersteuning en noodzakelijk geachte verbeteringen daarvan. Daarnaast is gevraagd naar `overbodige' activiteiten op de UT. Berger concludeert dat de uitkomsten van de gesprekken - ondanks een vast interviewstramien - `erg verschilden'. Sommigen hadden vooral opmerkingen over de gewenste cultuur binnen de UT, anderen hadden hele concrete voorstellen voor besparingen. Halverwege de opdracht vond een bijeenkomst plaats met de Stuurgroep Financiën om de eerste bevindingen te spiegelen. Daarna is er overleg geweest met de diverse faculteits-, instituuts- en dienstraden.