Photo by: Frans Nikkels
De Tien Geboden

‘Eren van, dat zit in wat mensen voor je betekenen’

| Rik Visschedijk

Aimée van Schaik is derdejaars student psychologie en een van de gezichten van Student Report. Ze houdt van toneelspelen en presenteren, maar voelt altijd plankenkoorts. Aimée groeide op als pleegkind in een vrij gezin en noemt zichzelf een zondagskind.

tien geboden

In deze serie interviewt U-Today verschillende UT’ers over hun werk, leven, passies en twijfels. Dit losjes en associërend aan de hand van de tien geboden, de leefregels die God via Mozes aan de mensheid gaf.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

‘Het aangezicht verandert vanzelf. Zwarte Piet is bijvoorbeeld ook niet in beton gegoten. Ik ben dit jaar Zwarte Piet en treed op bij vieringen van bedrijven en overheidsinstanties zoals Bolletje, Urenco en de politie. Ik speel bij Muziektheater Servus in Almelo, de stad waar ik opgroeide. Ja, ik ben een zwarte Piet. We bespraken hoe we in die heftige discussie staan. Voor ons is het belangrijkste wat de opdrachtgever wil en dat is dus een geschminkte Piet.’

‘Ik vond eerder dat we niet aan deze traditie moesten komen, laat Piet zwart zijn. Maar ik neig er steeds meer naar dat we niet zo koppig moeten doen met z’n allen. Het is een kinderfeest, laten we dat niet polariseren. Het zwarte zal heus wel van het gezicht van Piet verdwijnen, laat de tijd z’n werk maar doen. Maar vecht je gelijk niet uit op dagen die voor kinderen zijn.’

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat ­beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

‘Toneelspelen is mijn passie. Optreden is spannend. Ik ben altijd zenuwachtig, wil dat iedereen me even met rust laat voor we beginnen. Bij Student Report is dat niet anders, voor we draaien voel ik die spanning. Iedere keer als ik speel of presenteer, is een kleine overwinning op mezelf. Maar dat is niet waar ik het voor doe. Ik geniet ervan als het publiek het mooi vindt waarvoor ik heb geoefend.’

Mijn opvoeding is behoorlijk vrij. Mijn ouders – pleegouders eigenlijk – geven mij, mijn broertje en zusje ruimte om ons te ontwikkelen. Al op de basisschool vond ik het leuk en spannend om op de planken te staan. Toen ik aan het gymnasium begon, schreef ik me in voor de kunstklas: drama, tekenen en muziek, buiten de gewone lesuren. Ik had het leren alleen niet echt onder de knie en mijn ouders stelden voor om me eerst te richten op school. In het derde jaar, toen ik op het vwo zat, begon ik weer. Maar drama, waar mijn hart ligt, kon ik niet meer oppakken. Daarvoor moest je de eerste twee jaar gevolgd hebben.’

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

‘Ik geloof niet in één waarheid. Van huis uit kreeg ik mee om vragen te stellen. Al mijn vriendinnen lieten een tweede gaatje in ieder oor schieten, dus dat wilde ik ook. Dat vonden mijn ouders geen goed argument. Neem dan drie knopjes in één oor, stelden ze voor. Dan ben je bijzonder.’

‘Ons ouderlijk huis is gemoedelijk. Mijn vader werkt bij de politie, bij de recherche. Hij is een soort amateurpsycholoog. We praten veel, als scholier zat ik dan op het aanrecht, hij leunde op de tafel met een sjekkie. Bij ons thuis zijn niet zoveel regels. Het is niet erg is als je met modderschoenen binnenkomt en een pyjamafeestje kan altijd, maar we leven wel naar onze principes.’

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de ­zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

‘Waar sommigen ploeteren, rol ik er doorheen. Dat maakt mij wel een beetje een zondagskind. Leren gaat me best goed af. Dat ontdekte ik tijdens het vwo. Niet dat het vanzelf ging, want ik wist eigenlijk niet zo goed hoe ik mijn huiswerk moest plannen. Daar liep ik tegenaan. Maar ik had ruimte om twee sporten op te pakken: karate en hockey en ook nog drie dagen in de cafetaria te werken.’

V Eer uw vader en uw moeder

‘Mijn pleegouders, waar ik sinds mijn achtste woon, hebben me opgevangen, in huis genomen en zijn mijn papa en mama. Ik heb een broertje van vijftien – hun enige biologisch kind - en een zusje van tien. We zijn een gezin, ik kom regelmatig thuis vanuit mijn studentenwoning.’

‘Mijn jeugd is heel normaal, want het is mijn jeugd. Pas later merk je dat het voor anderen bijzonder is om op je vijfde uit huis te gaan en drie jaar in wisselende pleeggezinnen door te brengen. Mijn biologische ouders hadden altijd ruzie, maar daar merkte ik als kind niet veel van. Ik ken ze niet meer. ‘Eren van’, dat komt niet uit je bloedlijn, maar in wat mensen daadwerkelijk doen en voor je betekenen.’

(tekst loop door onder de foto)

VI Gij zult niet doodslaan

‘Psychologie trok, omdat ik mensen wilde helpen. Het liefst kinderen. De studie viel me eerst een beetje tegen. Ik dacht toegepaste psychologie te studeren, maar de nadruk ligt erg op techniek. Gaandeweg veranderde mijn interesse. Ik wil mijn master komend jaar in Amsterdam doen, opsporingscriminologie. Puzzelen om daderprofielen op te stellen. Ik denk niet dat ik in de wieg ben gelegd om alleen maar de verhalen en moeilijkheden van mensen aan te horen.’

VII Gij zult niet echtbreken

‘Zorg eerst dat je zelf gelukkig bent en kijk dan of iemand je helpt bij dat geluk. Dat motto, van mijn ouders, draag ik met me mee. In mijn laatste relatie merkten we beiden druk. De studie vroeg veel, het leven daarbuiten ook. Het was beter om uit elkaar te gaan. Uiteindelijk zie ik een gezin voor me. Ik denk met pleegkinderen, want dan kun je echt iets betekenen. Om zelf kinderen op de wereld te zetten: dát lijkt me pas een grote stap.’

VIII Gij zult niet stelen

‘Stelen mag niet, maar de wereld is niet zwart-wit. Lenen en goede ideeën overnemen; dat mag wel. Ik leer steeds meer over mijn vakgebied. Hoe verder je komt, hoe moelijker het is om origineel te zijn. Als ik rijk wilde worden, dan had ik een andere studie gekozen. Mocht ik nu de loterij winnen, dan zou ik een lange vakantie nemen. Een roadtrip door de Verenigde Staten en ik neem mijn twee studievriendinnen mee.’

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

‘Ik heb twee beste vriendinnen met wie ik alles deel. Dat zijn de meiden die ik nu veel zie, we studeren samen psychologie. Maar ik ben niet goed in contacten onderhouden, heb soms moeite om attent te zijn. De vriendinnen van vóór de studie zie ik nog regelmatig. Maar met hen deel ik toch een andere tijd en ervaringen. Dat is niet meer of minder, maar gewoon anders.’

‘Toen ik begon met studeren, meldde ik me bij studievereniging Dimensie. Via de studiegenoten die ik daar leerde kennen, ging ik in verschillende commissies en heb ik een bestuursjaar gedaan bij theatervereniging NEST. Zo kwam ook het presenteren bij Student Report op mijn pad.’

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

‘Soms drink ik flink, dan vergeet ik wat ik die avond deed en reconstrueren anderen dat voor me. Dat hoor ik dan met schaamrood op de kaken aan, want zo ben ik helemaal niet. Tegenwoordig laat ik heel wat borrels lopen. Wat eerst leuk en nieuw was, is nu vertrouwd en hetzelfde. Gezellig zeker, maar ik heb ook m’n slaap nodig. Het belangrijkste in het leven is om geluk te vinden. Ik denk dat ik daarvoor in Twente moet zijn, dicht bij mijn familie en vrienden.’