‘Mijn tijd als minister zit er bijna op’, zei onderwijsminister Gouke Moes (BBB) gisteren tegen de Tweede Kamer. Zijn opvolger Rianne Letschert treedt immers deze maand aan.
Dus kon Moes weinig meer zeggen over de begroting van zijn ministerie. Die gaat immers op de schop zodra er een nieuw kabinet komt. Allerlei plannen en ideeën van de Tweede Kamer noemde hij ‘ontijdig’. De Kamerleden moesten maar bij de volgende minister aankloppen.
Wel sprak hij over maatschappelijke kwesties ‘die ons dwingen tot scherpe keuzes’ in het onderwijs: de krimp van het aantal studenten en de tekorten aan werknemers in de zorg, de techniek en het onderwijs.
Stabiel
In de toekomst moet de financiering van het mbo en hoger onderwijs minder afhankelijk worden van het aantal studenten. Daar is een wetswijziging voor nodig en volgens Moes komt die al snel: in 2029 zou de nieuwe financiering van kracht moeten zijn. Tot die tijd is er geld uitgetrokken om kleine maar belangrijke opleidingen in krimpgebieden overeind te houden: 180 miljoen euro.
Is dat genoeg, wilde het CDA weten, en belandt het geld op de goede plek? Moes kon het niet zeggen. Zijn kabinet bezuinigde en gaf tegelijk extra geld om de krimp op te vangen, maar hij kon niet aan de knoppen draaien. ‘Dat mengpaneel hebben wij gewoon niet ter beschikking’, zei hij. De instellingen bepalen zelf welke opleidingen zij overeind houden.
Ook GroenLinks-PvdA maakte zich zorgen. Als opleidingen bijvoorbeeld bij hogeschool Saxion verdwijnen, dan hebben studenten in de regio Twente eigenlijk geen tweede of derde keuze tot hun beschikking. Moes: ‘Dit is exact het punt.’
Bemoeien
Volgens hem moet de overheid niet alleen de financiering stabieler maken, maar ook meer invloed uitoefenen op het aanbod. ‘Het is noodzakelijk om meer studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, bijvoorbeeld in de techniek, de veiligheid, de woningbouw en de zorg’, aldus Moes.
Het belang dat de Nederlandse samenleving gaat boven ‘het individuele belang van onderwijsinstellingen’, meent hij. Overheid, werkgevers en onderwijsinstellingen zouden afspraken kunnen maken over betere voorlichting, goede stageplekken, salarissen en ‘sturing op het aantal opleidingsplaatsen’.
Geen luxeproduct
Dat laatste betekent minder studenten naar de ene opleiding en meer naar de andere. D66 sloeg erop aan: ‘Ik hoorde u zojuist zeggen dat het belang van de tekortsectoren boven het individueel belang en de keuzevrijheid van de studenten gaat’, zei Kamerlid Anouschka Biekman. ‘Ik zou daar graag een verheldering van krijgen, want individuele keuzevrijheid is natuurlijk geen luxeproduct.’
Hij doelde niet op de individuele keuzevrijheid van studenten, antwoordde Moes, maar op de vrijheid van instellingen om hun eigen aanbod van opleidingen te bepalen. De overheid moest wat hem betreft iets meer ‘sturing’ geven.
Cultureel
Maar de arbeidsmarkt is niet het enige dat telt. Kamerlid Diederik Boomsma (JA21) brak een lans voor ‘juist de kleine opleidingen op universiteiten en hogescholen’, die volgens hem een ‘groot cultureel en maatschappelijk belang’ hebben. Hij diende een motie in.
‘Die beoordeel ik als ontijdig’, zei Moes. ‘We werken daar namelijk al aan.’ Boomsma besloot zijn motie nog even in zijn binnenzak te houden en de plannen van het nieuwe kabinet af te wachten.