Minister staat achter taalbeleid UT

| Rik Visschedijk

Minister Van Engelshoven ziet nog steeds geen problemen in de verengelsing van de UT. De Tweede Kamer stelde na het debat in februari schriftelijke vragen. ‘De keuze voor een andere voertaal, moet bewust en afgewogen zijn’, schreef de minister deze week.

Photo by: Arjan Reef

De minister is van mening dat de UT inderdaad een bewuste en afgewogen keuze maakte, toen het in januari dit jaar het Engels als officiële voertaal instelde. De Tweede Kamer denkt daar anders over, en heeft bijvoorbeeld twijfels over de slagvaardigheid van de medezeggenschap, de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en of we binnenkort ook Russisch of Spaans als voertaal kunnen verwachten.

Medezeggenschap

Van Engelshoven ziet geen probleem in Engelstalige medezeggenschap, wanneer alle deelnemers Engels spreken, maar niet iedereen Nederlands. ‘De instelling kan samen met de medezeggenschap tot goede afspraken komen’, stelt ze. Ze deed navraag in Enschede en concludeert dat die afspraken zijn gemaakt, zowel met de Uraad, als de raad van toezicht.

De minister maakt een onderscheid tussen voertaal en onderwijstaal. In het wetsvoorstel taal en toegankelijkheid, dat in behandeling is in de Eerste Kamer, stelt ze regels aan de onderwijstaal. ‘Instellingen wordt verplicht zich in te spannende toegankelijkheid van de opleiding voor Nederlandstalige studenten te waarborgen’, schrijft ze. ‘Maar de keuze rondom de voertaal op de instelling, hoort ook daar thuis.’

Integreren

Ze vindt het belangrijk dat internationale medewerkers en studenten de mogelijkheid krijgen om de taal en cultuur te leren kennen. De UT doet dat goed, vindt ze. ‘Het aanbod taalcursussen in het Nederlands is kosteloos. Ook zijn er in internationale studentenverenigingen initiatieven en activiteiten om te zorgen dat ze binding met Nederland krijgen. De UT hanteert inclusiviteit als uitgangspunt.’

De universiteit kan natuurlijk niet zomaar overschakelen op een vreemde taal als Russisch, Spaans of Duits. Want, zo redeneert de minister, het gebruik van een vreemde taal kan alleen als dit wettelijk is bepaald, of wanneer het doelmatiger is. En dat zal de instelling dus moeten verantwoorden.

Toegankelijkheid

Nederlandse jongeren moeten naar een Nederlandse universiteit kunnen, vindt de minister. ‘De toegankelijkheid van het onderwijs staat voorop. Een keuze voor een andere taal moet bewust en afgewogen zijn. Het ligt voor de hand dat een instelling zich afvraagt of de betreffende taal geen onwenselijke gevolgen heeft. Mij zijn geen signalen bekend dat de voertaal aan een instelling gevolgen heeft voor de toegankelijkheid van het onderwijs.’