Overschot aan vrouwen in studentensteden

| HOP, Bas Belleman

Het is ongelijk verdeeld in de wereld. In de meeste studentensteden wonen meer jonge vrouwen dan jonge mannen, terwijl het in sommige steden juist omgekeerd is. Enschede heeft bijvoorbeeld een 'overschot' aan mannen.

Photo by: Gijs van Ouwerkerk

Voor velen zal het geen verrassing zijn: in Utrecht, Maastricht, Leiden en Nijmegen wonen meer jonge vrouwen dan jonge mannen, terwijl Delft, Eindhoven en Enschede een overschot aan mannen hebben. Maar hoe scheef is de verdeling eigenlijk?

Utrecht telt naar verhouding de minste mannen tussen de twintig en vijfentwintig jaar, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek vandaag: voor elke honderd vrouwen van deze leeftijd zijn er slechts 73 mannen. In Leiden zijn dat 74 mannen en in Maastricht 76.

Maar er zijn ook gemeenten waar de weegschaal naar de andere kant doorslaat. “Op Terschelling is het aandeel jonge vrouwen veruit het laagst, met 250 mannen per 100 vrouwen, op enige afstand gevolgd door Delft met 170 mannen per 100 vrouwen”, schrijft het CBS. Dat komt natuurlijk door het Maritiem Instituut op Terschelling en de Technische Universiteit Delft, waar nu eenmaal minder vrouwen studeren.

Het CBS voegt eraan toe dat de man-vrouwverhouding in de gemeente Delft alleen maar schever is gegroeid in de afgelopen tien jaar. Opvallend, want aan de TU-studenten ligt het niet: er staan naar verhouding steeds meer vrouwen aan de technische universiteit ingeschreven.

Landelijk zijn er overigens net iets meer mannen dan vrouwen in die leeftijd: voor elke honderd jonge vrouwen zijn er 103 jonge mannen. Maar er gaan meer vrouwen dan mannen studeren en vrouwen gaan bovendien eerder uit huis dan mannen. Dat verklaart de scheve verdeling in veel steden met een universiteit of hogeschool.

Van alle hogescholen tellen Avans en Van Hall Larenstein naar verhouding de minste vrouwelijke studenten. Aan de andere kant van het spectrum zitten vooral enkele zelfstandige pabo’s, waar tachtig procent van de studenten vrouw is.

© HOP. Bron: Vereniging Hogescholen.